thumb|Dubbel-aspecttheorie is verwant aan het neutraal monisme. De dubbel-aspecttheorie, dual-aspecttheorie of dual-aspectmonisme is de theorie binnen de filosofie van de geest die stelt dat fysiek en mentaal twee aspecten van, of perspectieven op, eenzelfde substantie zijn.
Het is een oplossing voor het zogenaamde lichaam-geestprobleem. Vooral om de theorie duidelijker over te brengen wordt er een derdepersoonskennis (objectiviteit) en een eerstepersoonskennis (subjectiviteit) voorgesteld als het dubbele aspect of perspectief. Verder wordt de invulling van de theorie aan de hand van soortgelijke varianten beschreven, zoals de beschrijving van de fundamentele substantie en de betekenis van fysiek en mentaal.
De dubbel-aspecttheorie is een vorm van neutraal monisme, met de centrale claim dat er een onderliggende (neutrale) werkelijkheid bestaat die niet mentaal of fysiek is. Het is een middenweg tussen de eenzijdigheid van materialisme en idealisme. Daarbij vereist de dubbel-aspecttheorie dat het objectieve fysieke en het subjectieve mentale onderling zowel onafscheidelijk als onherleidbaar zijn van elkaar, hoewel verschillend; als twee zijden van dezelfde munt. Daartegenover geplaatst staan de afscheidelijkheid van het dualisme en de herleidbaarheid van het reductionisme. Die beide volgens het reflexieve monisme van Max Velmans onvoldoende aandacht besteden aan de fenomenologie van het bewustzijn.
Er zijn verder diverse dubbel-aspecttheoretici en filosofen die een monistische tweedeling van lichaam en geest beschrijven.
Theoretici thumb|Baruch Spinoza wordt als de grondlegger van de dubbel-aspecttheorie gezien.
Baruch Spinoza Over het algemeen wordt Spinoza naast het neutraal monisme ook als de grondlegger van de dubbel-aspecttheorie gezien. Dit blijkt uit zijn filosofisch werk genaamd de Ethica, wat over het algemeen als zijn hoofdwerk wordt beschouwd. Andere overeenkomende stromingen die in het boek worden beschreven zijn identiteitstheorie (token), parallellisme en pantheïsme. In het tweede hoofdstuk wordt beschreven dat lichaam en geest parallel gemanifesteerd van hetzelfde zijn, bestaande uit ‘god-of-natuur’ als één en dezelfde substantie.Baruch Spinoza. Baruch Spinoza. Ethica, hoofdstuk 2. Multilingual publication of Spinoza's Ethics
Dit wordt op de volgende wijze omschreven:
Persoon en beschrijving thumb|David Chalmers: De dubbel-aspecttheorie van informatie (1677) Baruch Spinoza beschrijft een enkele oneindige substantie als 'god-of-natuur' (Deus sive Natura) met de aspecten geest (des Denkens) en materie (der Uitgebreidheid). Sam-Yel Park " A Study of the Mind-Body Theory in Spinoza, blz. 131-1a . Glasgow Theses Service (1781) Immanuel Kant beschrijft een onderscheid tussen een noumenale-, en een fenomenale werkelijkheid. (1818) Arthur Schopenhauer beschrijft dat een wil en een voorstelling de fundamentele aspecten van de werkelijkheid zijn.Stanford Encyclopedia of Philosophy: Schopenhauer (1877) George Henry Lewes beschrijft dat zenuwactiepotentiaal en waarnemingsvermogen twee verschillende aspecten van hetzelfde ding zijn. (1889) Gustav Theodor Fechner beschrijft dat fysieke feiten, en de perceptie daarvan hoewel niet tot elkaar reduceerbaar, wel twee aspecten van één realiteit zijn. (1921) Bertrand Russell beschrijft dat zowel geest als materie zijn samengesteld uit een neutrale stof die opzichzelfstaand geen van beide is. (1932) Wolfgang Pauli beschrijft het pauli effect als een concept van synchroniciteit, en benoemt een complementaire relatie tussen natuurkunde en dieptepsychologie. (1959) Peter Frederick Strawson beschrijft dat wanneer personen zelf-refereren wordt er verwezen naar een entiteit met twee aspecten, het fysieke en mentale. (1960) Carl Gustav Jung beschrijft psyche (van binnenuit bekeken) en materie (van buitenaf bekeken) als twee verschillende aspecten van hetzelfde. (1980) Brian O'Shaughnessy beschrijft een psychologische wil en een fysieke wil. (1989) Thomas Nagel beschrijft dat subjectieve- of mentale eigenschappen onverenigbaar zijn met de fysische objectiviteit, zoals hij ziet in het probleem van persoonsidentiteit.1989 The View From Nowhere - Hoofdstuk 3, (1994) John Polkinghorne beschrijft dat één substantie voortkomt als twee contrasterende staten, waarmee perceptie van verschil tussen geest en materie kan worden uitgelegd.The Faith of a Physicist – UK: Science and Christian Belief, 1994, (1996) David Chalmers beschrijft dat fysieke en mentale eigenschappen aspecten van informatie zijn. Facing Up to the Problem of Consciousness 1996 (2002) David Bohm beschrijft een impliciete en expliciete orde als twee verschillende beschrijvingen van hetzelfde fenomeen of aspect van de realiteit. (2004) Gregg Rosenberg beschrijft het fysieke en niet-fysieke als twee aspecten van hetzelfde, zoals de avondster en de morgenster aspecten van Venus zijn. (2006) Bernard d’Espagnat beschrijft 'het echte' als een onafhankelijke primordiale realiteit die ontstaat voor de geest-materie splitsing. (2008) Max Velmans beschrijft dat de fundamenten van het universum zichzelf manifesteren als fysiek en als bewustzijnservaring, oftewel 'psycho-fysisch'.
Subject-objectscheiding Veel filosofische kwesties betreffen de vraag of iets objectief of subjectief is en wat de essenties daarvan zijn. Subjectiviteit wordt meestal in verband gebracht met een subject of individu die beschikt over bewuste ervaring, bijvoorbeeld persoonlijke beoordelingen of zienswijzen, zoals: meningen, gevoelens, overtuigingen en verlangens. Terwijl objectiviteit meestal in verband wordt gebracht met de realiteit, feiten en waarheid (soms neutraliteit) met daarbij de onafhankelijkheid van persoonlijke meningen, vooroordelen, interpretaties, gevoelens, ideeën en fantasieën. thumb|left|Een regenboog verdwijnt bij benadering en is afhankelijk van het bewustzijn. Zonder visuele waarneming zouden we de kleuren niet zien, dus een regenboog is onzichtbaar in de fysieke werkelijkheid. De subject-objectscheiding bestaat uit een metafysische- en een epistemologische opvatting. De kern van het metafysische subjectivisme is de overtuiging dat de werkelijkheid die we waarnemen echt is, maar dat er geen onderliggende echte werkelijkheid bestaat die onafhankelijk van perceptie kan bestaan. Men kan ook stellen dat het bewustzijn de realiteit is, in plaats van perceptie, het valt dan onder subjectief idealisme. Dit is in tegenstelling tot het metafysische objectivisme en het filosofische realisme, want die veronderstellen dat er wel een onderliggende op zichzelf staande geest-onafhankelijke werkelijkheid bestaat, die op verschillende manieren wordt ervaren. De epistemologische opvatting gaat uit van een beoordeling over subjectief en objectief. Bijvoorbeeld; 'de maan heeft geen atmosfeer' is een (epistemologisch) objectief oordeel, terwijl; 'vanille is de beste ijssmaak' beschouwd kan worden als (epistemologisch) subjectief. Een persoon kan dus derdepersoonskennis (objectiviteit) en eerstepersoonskennis (subjectiviteit) bezitten.
De wetenschap is gebaseerd op objectieve derdepersoonskennis, decennialang is het bewustzijn als wetenschappelijk onderzoeksonderwerp vermeden omdat subjectieve eerstepersoonskennis niet goed bestudeerd kon worden met behulp van objectieve experimentele methoden. Mede dankzij technologische ontwikkelingen vanaf de jaren 80 van de 20e eeuw is het bewustzijn uitgegroeid tot een belangrijk onderwerp in de onderzoeken binnen de psychologie, de geneeskunde en de wetenschap. Vooral vanuit de cognitieve neurowetenschap spreekt men van de neurale correlaten van bewustzijn want er is wel wederzijdse samenhang tussen hersenactiviteit en bewustzijnservaring maar er ontbreekt een oorzakelijk verband. Dit wordt onder meer aangegeven met het filosofische concept genaamd de verklaringskloof. Die geeft aan dat de fysicalistische theorieën van de geest (zoals neurale oscillatie en herintredende circuits) niet aangeven hoe hersenactiviteit in bewustzijnservaring kan veranderen – naast hun onderlinge correlatie. De kloof overbruggen betekent dat er een bevredigende mechanistische verklaring zou moeten komen voor het bewustzijn, met name voor het subjectieve karakter van ervaring en qualia. thumb|Als Mary alles weet over rood, weet ze dan ook hoe rood eruit ziet? Qualia zijn individuele gevallen van subjectieve bewuste ervaring, bijvoorbeeld: hoofdpijn voelen, wijn proeven of de roodheid waarnemen van een zonsondergang. Er zijn verschillende argumenten om aan te geven dat qualia bestaat, waaronder: het omgekeerde spectrum van John Locke, het 'hoe is het om te zijn' argument van Thomas Nagel en het kennisargument van Frank Cameron Jackson. Het kennisargument stelt Mary de kleurenwetenschapper voor die alles weet over de kleur rood, maar ze heeft nog nooit rood gezien. Volgens dit gedachte-experiment leert Mary er toch nog iets bij wanneer ze de kleur rood ziet, oftewel de kleurbeleving van rood. Het belangrijkste aspect van het kennisargument is het onderscheid tussen (derdepersoons) objectieve- en (eerstepersoons) subjectieve kennis.
Volgens Max Velmans maken reductionisme en dualisme zichzelf schuldig aan het feit dat ze te weinig aandacht besteden aan de fenomenologie van bewustzijn, oftewel de toestand van ergens bewust van zijn. Het reductionisme probeert bijvoorbeeld het bewustzijn te reduceren tot een hersentoestand, waarna het bewustzijn niet meer is dan zijn neurale oorzaak of correlaat. Maar volgens Velmans wordt daarmee de Leibniz' wet van; 'identiteit van ononderscheidbare zaken' overtreden. Oftewel als A hetzelfde is als B (bewustzijn is hetzelfde als een hersentoestand), dan moeten de eigenschappen van A ook de eigenschappen hebben van B. Velmans stelt hiermee dat de subjectieve fenomenele ervaring van bewustzijn geheel in tegenstelling staat tot de neurale toestanden van de hersenen, en kan daarom niet gereduceerd worden. De fenomenele eigenschappen van bewustzijn zijn niet identificeerbaar of hetzelfde als hersenactiviteit die het (eventueel) veroorzaakt. thumb|left|Een schematische voorstelling van een geluidssignaal. Links: het fluitje. Blauw: geluidsgolven. Rood: trommelvlies. Geel: slakkenhuis. Groen: binnenste haarcellen. Paars: buitenste haarcellen. Oranje: actiepotentiaal. Rechts: de quale van gefluit.thumb|De Necker-kubus blijft onveranderd als fysieke stimuli, terwijl onze mentale waarneming wel veranderd. In de filosofie van perceptie gaat men bijvoorbeeld na in welke mate sensorische kwaliteiten, zoals: licht en/of kleur, geluid, temperatuur, smaak, druk en geur kunnen bestaan in een objectieve realiteit, ten opzichte van de subjectieve waarneming daarvan. Bijvoorbeeld een vrij bekende filosofische vraag stelt of geluid (in een objectieve realiteit) wel kan bestaan wanneer er geen ontvanger is. Het oor zet luchttrillingen (mechanische stimulus) om in een elektrochemisch signaal door middel van haarcellen die via de gehoorzenuw in de gehoorschors van de hersenen wordt verwerkt, waarna het mogelijk wordt om het geluid te ervaren. Dus zonder waarnemer of ontvanger is er wellicht slechts een luchttrilling zonder geluid. De sensorische kwaliteiten worden door middel van zintuiglijke transductie omgezet naar neurale activiteit, waarna het door middel van neurotransmissie in de hersenen verder wordt verwerkt. Dit is allemaal nog verklaarbaar als een objectief fysiek hersenproces, maar hoe dat proces eventueel kan leiden naar een subjectieve wijze van (geluid) waarnemen is vooralsnog een mysterie.