De MV Agusta 350cc-racers waren motorfietsen die het merk MV Agusta tussen 1954 en 1976 inzette in de 350 cc wegraces. Met deze machines werden 10 wereldtitels behaald met de coureurs John Surtees, Gary Hocking en Giacomo Agostini.
MV Agusta 350 4C 1954-1964 Techniek Graaf Domenico Agusta gaf nooit technische gegevens van zijn machines vrij en personeel, technische staf en coureurs mochten daar ook niets over vertellen. Omdat een aantal nieuwere machines later via veilingen verkocht werden zijn daar wel gegevens van bekend, maar de machines uit de beginjaren blijven soms met raadsels omgeven. Van de oorspronkelijke 350 4C is eigenlijk alleen bekend dat het een verkleinde versie van de MV Agusta 500 4C was. Ontwerper Piero Remor had die machine aanvankelijk voorzien van experimentele en vaak nutteloze techniek, maar coureur Leslie Graham had al wat verbeteringen aangebracht. In 1953 had die machine al een telescoopvork en een dubbel wiegframe. Hij had een viercilinder lijnmotor met dubbele bovenliggende nokkenassen en twee kleppen per cilinder.
Resultaten 1954 Bill Lomas en Dickie Dale kregen MV Agusta's voor de 500 cc Senior TT op het eiland Man, maar startten ook met de 350cc-versie in de Junior TT. Een succes was het nog niet: Lomas werd slechts 7e en Dale werd 25e. Voorlopig moest MV Agusta nog het hoofd buigen voor de AJS Boy Racer en de Norton Manx. 1955 In 1955 kwamen de 350 cc MV Agusta's niet aan de start in GP's, mogelijk omdat men ook uitbreiding zocht naar de 250cc-klasse. 1956 Toen John Surtees in 1956 naar MV Agusta kwam, bracht hij zijn kennis van het Norton Featherbed frame mee. De verbeteringen aan de 500 cc MV Agusta werden ook op de 350 cc viercilinder aangebracht. Surtees werd in de 350 cc TT van Assen tweede en won de Grand Prix van België, maar na een val in de Grand Prix van Duitsland, waarbij hij een arm brak, was hij de rest van het seizoen uitgeschakeld. Hij eindigde als vierde in het 350 cc wereldkampioenschap. 1957 Surtees reed de MV Agusta 350 viercilinder in 1957 in bijna alle GP's, maar de machine was hopeloos onbetrouwbaar. Hij werd vierde in de Junior TT, maar viel in vijf andere GP's uit. 1958 Eind 1957 verklaarden de Italiaanse merken Moto Guzzi, Gilera, FB Mondial en MV Agusta te zullen stoppen met wegraces. Het racen was simpelweg te duur, met name voor de bedrijven die van de motorfietsverkopen moesten leven. Voor graaf Domenico Agusta lag de zaak echter anders. Hij verdiende zijn geld met de bouw van helikopters en de motorfietsen waren slechts een hobby. En met het wegvallen van de grootste concurrenten (de Britse merken waren al eerder gestopt) keerden de kansen voor MV Agusta. De ontwikkeling van nieuwe prototypen werd stopgezet, want het was duidelijk dat de viercilinder MV Agusta nu sterk genoeg zou zijn voor de wereldtitel. Dat bleek in 1958 ook zo te zijn: het merk won alle wereldtitels in de soloklassen, inclusief de constructeurstitels. Waar Surtees met de 350 cc MV Agusta aan de start kwam, won hij ook. John Hartle werd met een 350 cc MV tweede in het wereldkampioenschap. 1959 In 1959 kwam John Surtees overal aan de start en hij won alle GP's. Opnieuw werd zijn teamgenoot John Hartle tweede in het wereldkampioenschap. 1960 Het seizoen 1960 werd spannend door de onderlinge strijd van twee teamgenoten van MV Agusta, John Surtees en Gary Hocking. Doordat er slechts vier resultaten telden eindigden beiden met 22 punten. Ze hadden allebei twee overwinningen en één tweede plaats gescoord. Hocking had niet meer wedstrijden gereden, Surtees wel. Die had daardoor ook nog een derde plaats behaald. De punten telden niet mee, maar het resultaat wel en daardoor werd Surtees wereldkampioen. Aan het einde van het seizoen vertrok John Surtees om verder te gaan als autocoureur. 1961 In 1961 zette MV Agusta in de 350cc-klasse alleen Gary Hocking in. Die sloeg de eerste wedstrijd (Duitsland) over maar begon daarna punten te verzamelen: tweede in de Junior TT en daarna overwinningen in Nederland, de DDR, Ulster en Italië. De laatste Grand Prix in Zweden liet hij ook schieten, want de wereldtitel was al veilig. 1962 In 1961 was Honda nog niet vertegenwoordigd in de 350cc-klasse, maar voor het seizoen 1962 boorde men de Honda RC 162 op tot 284,5 cc en de motorfiets kreeg de aanduiding RC 170. Met die machine kwamen Bob McIntyre en Tom Phillis uit in de Junior TT. Phillis verongelukte tijdens die race en ook McIntyre haalde de finish niet. Mike Hailwood won de race met de MV Agusta. Hij werd tweede in de TT van Assen en de Grand Prix van de DDR, maar de Honda's wonnen alle races en Jim Redman (Honda) werd wereldkampioen vóór Tommy Robb (Honda) en Mike Hailwood (MV Agusta). 1963 Honda maakte in 1963 pas op de plaats: men maakte geen nieuwe racers en na de Isle of Man TT werden zelfs de monteurs teruggeroepen naar Japan. MV Agusta kon daar niet van profiteren. Hailwood won weliswaar in de DDR en in Finland, maar toen was de wereldtitel voor Jim Redman en Honda al beslist. 1964 In 1964 richtte MV Agusta zich vooral op de 500cc-klasse, waar men nog steeds geen tegenstand van betekenis had. In de 350cc-klasse kwam Hailwood pas in de tweede race in Assen aan de start om tweede te worden. Daarna verdwenen de 350 cc MV's van het toneel.
MV Agusta 350 3C 1965-1973 In 1965 verscheen de nieuwe driecilinder MV Agusta. Graaf Agusta wilde per se een 350 cc driecilinder, omdat hij onder de indruk was geraakt van de driecilinder tweetakt DKW 350 RM. Arturo Magni en ontwerper Mario Rossi probeerden hem van idee af te brengen, maar de graaf volhardde.Verklaring van constructeur Arturo Magni aan journalist Carlo Perelli, zomer 1993, gepubliceerd in Moto 73 nr. 13 van 1993 Hij werd zelfs kwaad en stelde voor een extra cilinder aan de MV Agusta 250 Bicilindrica te maken. Toen de driecilinder klaar leek werd Graaf Agusta opnieuw boos omdat er maar twee kleppen per cilinder gebruikt waren. Binnen een week moesten de technici de motor ombouwen naar vier kleppen per cilinder en dat leverde meteen 6 extra pk's op. 1965 In 1965 werd de 350cc-klasse beheerst door de Honda 2RC 172 viercilinder. MV Agusta zette weliswaar de nieuwe 350 driecilinder in, maar die moest nog betrouwbaarder worden en bovendien had men twee topcoureurs: Mike Hailwood en Giacomo Agostini. Die snoepten ook punten van elkaar af, terwijl Honda alles op Jim Redman zette. Bij de eerste 350cc-race van 1965 op de Nürburgring sloeg Agostini met zijn nieuwe driecilinder MV Agusta meteen toe: Hij won vóór zijn teamgenoot Hailwood en Gustav Havel met een Jawa, terwijl Redman (Honda) bij zijn achtervolging in de regen onderuit ging en een sleutelbeen brak. Tijdens de Junior TT was Redman uit op zijn derde overwinning op rij, maar Hailwood wist in de openingsronde met de nieuwe MV driecilinder een gat van 20 seconden te slaan. Daarna maakte hij een lange pitstop, waardoor Redman de leiding kon overnemen. De MV Agusta van Hailwood stopte er bij Sarah's Cottage mee in de vierde ronde, waardoor Redman onbedreigd won. Phil Read werd met de 250 cc Yamaha tweede en Agostini pakte de derde plaats nadat ook Derek Woodman met de MZ in de laatste ronde was uitgevallen. In Assen won Redman opnieuw, met Hailwood op de tweede en Agostini op de derde plaats. In Oost-Duitsland vielen zowel Hailwood als Agostini uit. Redman won de wedstrijd, Woodman (MZ) werd tweede en Havel werd met een Jawa derde. In Tsjecho-Slowakije vielen de beide MV Agusta's weer uit. Redman won dus weer vóór Woodman, maar dit keer werd Nikolaj Sevast'ânov met een viercilinder Vostok derde. Na twee wedstrijden zonder punten liet MV Agusta de 350cc-race in de Ulster Grand Prix schieten. Achteraf bleek dit een grote fout te zijn geweest. Honda kwam namelijk ook niet waardoor František Šťastný met zijn Jawa de volle acht punten pakte. Die punten kwam Agostini aan het einde van het seizoen tekort. MV Agusta was helemaal niet van plan naar de Finse Grand Prix af te reizen, maar toen Redman in Ulster zijn sleutelbeen opnieuw had gebroken keerden de kansen en namen de Italianen toch deel. Agostini won de 350cc-race vóór Honda’s tweede man Bruce Beale en František Boček (Jawa). Honda blunderde enorm door Redman te laten weten dat er geen motorfietsen op Monza zouden zijn, waardoor hij in Rhodesië bleef. Zijn sleutelbeenbreuk was waarschijnlijk sneller hersteld dan verwacht. Uiteindelijk bleek er wel degelijk een 350 cc Honda voor Redman klaar te staan in Monza, maar die bleef dus aan de kant staan. Agostini won de race, die droog begon. In de laatste ronden ging het regenen, waardoor Hailwood viel. Silvio Grassetti werd met een Bianchi tweecilinder tweede. Tarquinio Provini reed met een opgeboorde Benelli viercilinder en hij moest tot tweemaal toe de pit in om bougies te wisselen. Daarna begon hij aan een enorme inhaalrace en hij werd toch nog derde. Net als in de 125cc-klasse stonden voor de start van de 350cc-race in Suzuka twee coureurs op 32 punten: Jim Redman en Giacomo Agostini. Met verwachtte dus een spannende race om de wereldtitel, maar die bleef uit omdat de motor van Agostini niet goed liep door een gebroken veer van de onderbreker. Hailwood had eigenlijk als taak Redman uit de buurt van Agostini te houden, maar pakte nu de leiding en Redman beperkte zich tot volgen, ook wel een beetje gedwongen doordat hij vlak voor de start door een bij boven zijn oog gestoken was waardoor dit vrijwel dicht zat. Bovendien reed Redman niet op een volwaardige 350cc-motor, maar op een tot 256 cc opgeboorde RC 165 zescilinder. Hij had aan de tweede plaats voldoende voor de wereldtitel en hij liet Hailwood zelfs nog een stuk uitlopen. Agostini moest intussen toezien hoe nog twee Japanners hem passeerden; Isamu Kasuya en Gosuke Yamashita, beiden met een Honda. 1966