Straatfotografie is een genre binnen de fotografie waarbij mensen op publieke plaatsen zoals straten, parken en metrostations worden gefotografeerd zonder dat ze zich daar bewust van zijn. Het onderwerp van straatfotografie is de mens en zijn omgeving. Straatfotografie is een kunstzinnige vorm van candidcamerafotografie die natuurlijke in plaats van geposeerde foto’s oplevert. Straatfotografie bevindt zich op het kruispunt van documentaire fotografie, het toeristisch kiekje en de fotojournalistiek dat zich op faits divers richt.Street Photography: From Atget to Cartier-Bresson: Introduction Straatfotografie is verwant aan documentaire en journalistieke fotografie, met dit verschil dat niet de inhoud, maar de kunst van het fotograferen primeert. Een straatfotograaf werkt ook niet in opdracht en gaat als een vrijbuiter op jacht naar een unieke foto die op het intuïtief juiste moment wordt genomen: le moment décisif van Henri Cartier-Bresson. Het primaire doel is expressief: een subjectieve indruk geven van de ervaring van het dagelijkse leven in een stad.

Hoewel straatfotografie reeds beoefend werd van in het begin van de fotografie, legden pioniers als Eugène Atget en Henri Cartier-Bresson in de 20e eeuw de basis voor straatfotografie als kunstvorm. De ontwikkeling van kleinbeeldcamera's met 35mm-film midden jaren twintig – en in het bijzonder de Leica met meetzoekersysteem – betekende een grote stimulans voor de straatfotografie.

Straatfotografen werken typisch met lichtsterke, compacte fototoestellen die minder opvallen dan spiegelreflexcamera's met luidruchtig opklappende spiegels en grote objectieven. Hoewel het geen vaste regel is, wordt bij deze vorm van fotografie vooral in zwart-wit gewerkt, met zowel digitale als analoge toestellen. Ook de keuze voor het type objectief dat wordt gebruikt varieert nogal; een straatfotograaf geeft gewoonlijk de voorkeur aan een objectief met een brandpuntsafstand van 50 mm of kleiner.

In veel landen bestaan wetten die de privacy van mensen beschermen, waardoor het zonder toestemming fotograferen van iemand strafbaar kan zijn, zelfs indien dit gebeurt in publieke ruimtes en plaatsen. Wie zelf deze vorm van fotografie wil beoefenen, doet er dus goed aan om zich te informeren over het portretrecht.

Geschiedenis links|150px|thumb|Boxcamera van Kodak thumb|Daguerreotypie van de Boulevard du Temple in het 3e arrondissement van Parijs, gemaakt door Louis Daguerre in 1838. Dit is de eerste fotografische afbeelding van een mens. Doordat de belichtingstijd ruim 10 minuten bedroeg, werd het verkeer niet vastgelegd. Alleen een schoenpoetser en zijn klant zijn linksonder zichtbaar, doordat ze lang genoeg stilstonden om te worden geregistreerd. Dat straatfotografie pas vanaf de 20e eeuw als apart genre kan worden onderscheiden heeft veel te maken met technische ontwikkeling. De daguerreotypen uit de 19e eeuw vereisten minutenlange belichtingstijden, wat tot gevolg had dat mensen en ander verkeer op foto's van straten onzichtbaar waren. Bovendien waren de camera's groot en zwaar, zodat de meeste foto's in studio's van professionele fotografen werden gemaakt. De avontuurlijke fotograaf die zich wel buiten waagde, moest naast een grote camera met statief en glazen platen ook nog eens een mobiele donkere kamer meezeulen met draagbare ontwikkelkast en tent.Ann Van Dyck, Geschiedenis van de fotografie. Hoofdstuk "Fotografie wordt een volwassen medium 1850-1880" De fotografische praktijk van de natte collodiumnegatieven uit de jaren 1850 en 1860 maakte ook dat hij slechts tien minuten had voor de voorbereiding, belichting en ontwikkeling van de negatieven, wat spontane straatfotografie moeilijk, zo niet onmogelijk maakte.

De introductie van de drogeplaatnegatieven in de jaren 1870 en van zilvergelatinedruk in de jaren 1880 betekende een doorbraak voor de straatfotografie. Hiermee kon sneller ontwikkeld worden dan met eender welke vorige techniek. Toen George Eastman in 1888 de eerste Kodak, een boxcamera, op de markt bracht, kwam fotografie binnen het bereik van het grote publiek. Het filmrolletje werd geleverd door de verkoper, die ook voor de ontwikkeling en de afdruk van de foto's zorgde. Het bleef echter een dure hobby, en pas tussen de twee wereldoorlogen, toen ook Europese constructeurs de boxcamera gingen produceren, daalden de prijzen zodanig dat ook arbeidersgezinnen zich er een konden veroorloven. Dit type camera bleef populair tot in de jaren zestig van de 20e eeuw, en werd toen verdrongen door een nieuwe generatie eenvoudige en goedkope camera's.

Een andere significante technische ontwikkeling was de lancering en verspreiding van de 35mm-camera in het midden van de jaren 1920. De compactheid van de kleinbeeldcamera was ideaal voor spontane momentopnamen op straat en andere publieke locaties, en de nieuwe films waren gevoelig genoeg om in situaties met weinig licht te kunnen fotograferen. In tegenstelling tot vroegere camera's kon de fotograaf nu door een zoeker kijken in plaats van het beeld van bovenaf te bekijken.

Dankzij deze technologische innovaties maakte straatfotografie vooral in de decennia na de Tweede Wereldoorlog een bloeiperiode door.

Talrijke fotografen die het straatleven in beeld brachten, zoals Alfred Stieglitz, Berenice Abbott en William Eggleston, beschouwden hun werk niet als "straatfotografie" in de zin die er nu aan wordt gegeven,Britannica, Street Photography; "Beginnings" maar als documentatie van het leven in de stad en van haar infrastructuur, en dat geldt zeker voor de pioniers van de fotografie.

19e eeuw miniatuur|Eugène Atget in 1890

Zo waren Charles Marvilles (1813-1879) foto's van Franse architectuur in de jaren 1850 en 1860 in de eerste plaats bedoeld ter registratie van cultureel belangrijke Parijse gebouwen en van voor de sloop bestemde straten en andere infrastructuur.

De Franse kunstschilder Charles Nègre (1820-1880) was ook een pionier in de straatfotografie. Zijn toepassing van de techniek van de calotypie, waarmee van negatieve afdrukken op papier een onbeperkt aantal positieve afdrukken kon worden gemaakt, was een verbetering tegenover de lange belichtingstijden en moeizame manipulatie van negatieven bij de daguerreotypie, wat het werk buiten de studio vergemakkelijkte.

Iemand die ook vaak als een van de vaders van de straatfotografie wordt genoemd, is Eugène Atget (1857-1927), wiens foto's van het laat-19e- en begin-20e-eeuwse Parijs oorspronkelijk eveneens bedoeld waren als documentatie.

De Schotse fotograaf John Thomson (1837-1921), die het leven in de Londense straten vastlegde in de jaren 1800, wordt nu beschouwd als een van de eerste straatfotografen. Hij was ook de eerste die een boek over straatfotografie uitbracht:Bystander: A History of Street Photography, 1994 zijn foto's van straatzwervers verschenen in 1877 in Street Life in London. Thomsons stijl oefende veel invloed uit op de journalistieke fotografie.Street Life in London in 1877 met foto's van Thomson.

20e eeuw miniatuur|Het einde van de oorlog tegen Japan gevierd op Times Square foto: Victor Jorgensen miniatuur|Robert Doisneau (links) en André Kertész (rechts) in 1975.

Voor de Tweede Wereldoorlog was Cartier-Bresson al een bekend persfotograaf, die met zijn werk een brug bouwde tussen de kunstfotografie en de documentaire fotografie. In die periode waren in de VS een aantal fotografen aan het werk, onder wie Walker Evans, Dorothea Lange en Berenice Abbott, die als pers- en documentairefotograaf naam maakten. In de tijd dat straatfotografie zich als subgenre van documentaire fotografie zou ontwikkelen, steeg door het groeiend aantal nieuwe tijdschriften ook de vraag naar foto's om artikelen over hedendaagse problemen te illustreren. Fotografen trokken met hun lichte en moderne camera-uitrusting naar steden of landelijke gebieden om plaatsen en toestanden van de Amerikaanse samenleving te documenteren.Britannica, Street photography: Photography on the move and the Leica

Midden 20e eeuw leverde Robert Frank (1924–2019) in zijn fotoboek The Americans sceptisch commentaar op de Amerikaanse samenleving. Hoewel het niet uitsluitend straatfoto's bevatte, bracht zijn boek de straatfotografie als creatief streven volop in de belangstelling, en talloze fotografen zouden zijn voorbeeld volgen. Franks benadering van de documentaire fotografie was gedurfd en vernieuwend. Zijn beelden komen emotioneler en subjectiever over, en vaak nam hij foto's zonder zelfs maar door de zoeker te kijken. Door het toeval te laten meespelen en de technische onvolkomenheden erbij te nemen, gaven zijn foto's een minder gepolijste indruk dan die van andere fotoreporters.

Andere toonaangevende fotografen uit de Verenigde Staten die zoals Frank hun beste werk leverden in de periode tussen 1940 en 1960, waren Lisette Model, Helen Levitt, Louis Faurer en William Klein. Hun foto's gaven een bijzonder subjectieve kijk op stedelijke publieke ruimtes en benadrukten net als die van Frank de expressieve mogelijkheden van de fotografie. Zo was Helen Levitt een pionier in kleurenstraatfotografie en rebelleerde William Klein met zijn ongewone fotografische technieken tegen de gevestigde 'Cartier-Bresson-stijl': hij maakte extreme close-ups met een 21mm-lens, en experimenteerde met onscherpte en vervorming.

Straatfotografie bloeide tijdens de naoorlogse periode ook buiten de Verenigde Staten. In Frankrijk maakten met name Robert Doisneau en Willy Ronis enkele van de bekendste foto's van het tijdperk. In Engeland fotografeerde Roger Mayne het dagelijkse leven in arbeiderswijken na de oorlog, en ook in Japan wendden fotografen als Daidō Moriyama zich in deze jaren tot de straatfotografie.

Een andere moderne straatfotograaf (al noemde hij zichzelf niet zo) was de in Hongarije geboren André Kertész (1894-1985) die in Parijs woonde. Hij was een van de vele straatfotografen die om den brode werkten als foto- of modejournalist en zich na hun werk aan hun kunst wijdden. Een landgenoot van hem, Gyula Halász (Brassaï), maakte voor zijn nachtopnamen van Parijs gebruik van een grote Voigtländercamera in plaats van voor een Leica te kiezen. Zijn serie over het Parijse nachtleven, Paris After Dark (1933), was een groot succes. Vooral Kertész oefende een grote invloed uit op Cartier-Bresson, wiens werk na de Tweede Wereldoorlog vormgaf aan wat nu onder straatfotografie wordt verstaan.

De Fransman Henri Cartier-Bresson (1908-2004) wordt beschouwd als de vader van de moderne straatfotografie.Batdorff, Street Photography: 'History of Street Photography, 1900s'. Hij staat bekend om zijn trouw aan de Leicacamera, zijn weigering om de kadrering van zijn foto's achteraf aan te passen (cropping, een uitsnede maken van een foto) en zijn pleidooi voor spontaniteit en intuïtie als de drijvende krachten van de creatieve fotografie. Zijn concept van het beslissende moment (le moment décisif) hanteerde hij onder meer in zijn boek Images à la sauvette uit 1952. Dit intuïtief juiste moment waarop de fotograaf afdrukt is het moment waarop het onderwerp en de compositorische vorm een volmaakt geheel zijn.

miniatuur|Meyerowitz in 2004