Het Doorgangshuis, vanaf 1967 De Helper Haven, was een hervormd opvanghuis voor kinderen en jonge meisjes in de Nederlandse stad Groningen. Als zodanig vormde het een van de voorgangers van de huidige jeugdzorg in Groningen, die sinds 2004 gesplitst in in Bureau Jeugdzorg Groningen (uithuisplaatsing en bepaling zorgbehoefte) en Elker (uitvoering van de zorg). Het voormalige complex van het Doorgangshuis werd in 1967 afgebroken en de locatie is als zodanig niet meer herkenbaar. Het complex van De Helper Haven wordt tegenwoordig gebruikt door Elker.

De belangrijkste doelgroep vormden kinderen en 'ontspoorde' meisjes die om wat voor reden dan ook in aanraking kwamen met deze vorm van jeugdzorg. In het Doorgangshuis werden in verschillende periodes wezen en half-wezen, ongehuwde moeders, voogdijkinderen en in beperkte mate ook verstandelijk gehandicapten opgenomen.

Geschiedenis De Ranitz (1865-1918) Het Doorgangshuis was het geesteskind van jonkvrouw Magdalena Wilhelmina de Ranitz, een dochter van de Groningse burgemeester Herman de Ranitz. De Ranitz was op jonge leeftijd al lid van de Vereniging van Vrouwen, die armen en kinderen bezocht en hen materieel bij wilde staan. In 1863 richtte zij samen met onder andere professor Valeton het 'Christelijk kluftverbond in de tweede kluft tot onthouding van bedwelmende dranken' op om alcoholisme tegen te gaan.

De basis van het Doorgangshuis legde zij samen met Valeton op 19 augustus 1865. Op die dag huurde de Ranitz een kamer aan de Breedegang (tegenwoordig het perceel van Tuinstraat 7) om er het arme weesmeisje Johanna Siegers dat haar om hulp had gevraagd en een juffrouw die haar om 'christelijke arbeid' had gevraagd te kunnen huisvesten. Het meisje liep al na twee weken weg, maar ervoor in de plaats kwamen kort daarna nog een vijftal meisjes.

De Ranitz vond inspiratie vanuit het Réveil. Een van haar grootste inspiratiebronnen was de Ottho Gerhard Heldringstichting van Ottho Gerhard Heldring in Zetten. In de eerste decennia werden er alleen 'ontspoorde' meisjes opgenomen. Ook bij de meeste andere opvangtehuizen in die tijd, -zoals het in 1847 in Groningen opgerichte Toevluchtsoord-, werden alleen leden van een bepaalde sekse opgenomen. Elk meisje dat zich meldde bij de Ranitz werd onderworpen aan een proef; opname kon alleen geschieden als het betreffende meisje werkelijk (christelijk) gered wilde worden of, zoals het ook wel werd genoemd, of ze 'boetvaardig' was. De meisjes moest 'zondebesef' worden bijgebracht en de heropvoeding van de meisjes moest volgens de Ranitz onder andere plaatsvinden door het uitvoeren van zwaar lichamelijk werk, omdat daarmee de 'verkeerde neigingen' van de meisjes het best werd bestreden.

In 1866 overleed de verloofde van de Ranitz; dominee Willem Herman Krijt. De rest van haar leven zou ze ongehuwd blijven en haar leven wijden aan het Doorgangshuis. In hetzelfde jaar stopte de 'moeder' van het Doorgangshuis ermee. Een vervangster voor haar werd gevonden in wasvrouw Betje Klamer, die met haar drie kinderen woonde in een slop aan de Achter de Wal en ook zwaar lichamelijk werk kon bieden. Daar werden ook de meisjes vervolgens opgevangen. Het aantal meisjes dat zich aanmeldde groeide daarop en het huis van Klamer werd al snel te klein. In 1869 werd door de Ranitz daarom een pand aan de Mussengang gekocht, waar Klamer vervolgens met haar dochters en pleegdochters ging wonen. Daarnaast kocht ze nog een pand om hier (volwassen) alleenstaande moeders met hun kinderen op te kunnen vangen. Deze moeders zorgden voor een belangrijke besparing op de personeelskosten, omdat ze zelf ook meehielpen in het Doorgangshuis. In 1871 verhuisde Klamer naar Amerika en werd opgevolgd door mejuffrouw Dievertje Westerhuis.

In 1881 woonden er ongeveer 50 mensen in het huis, dat slecht onderhouden was; wind en regen hadden er vrij spel. De kosten voor de opvang werden tot dat jaar vooral gedragen door de Ranitz en haar familie en vrienden, waaronder haar moeder, haar zus Edsardina en haar vriendin jonkvrouw Frederique Louise Wilhelmine Marie de Savornin Lohman. Daarnaast werd in inkomsten voorzien door giften. Om de opvang voort te kunnen zetten en de voortdurende groei op te kunnen vangen was er echter veel meer geld nodig. Daartoe werd in 1881 de 'Vereeniging tot opbeuring van boetvaardige gevallene vrouwen, commissie te Groningen' opgericht, die doorgaans kortweg 'vereniging Doorgangshuis' werd genoemd en zich tot doel stelde: 'de duurzame verzorging in of buiten haar gesticht van vrouwelijke minderjarigen en meerderjarigen, zoolang dit mogelijk is ten einde dezen in staat te stellen in haar levensonderhoud te voorzien'. Met de instelling van de vereniging werd ook een bestuur ingesteld, waarvan de Ranitz de secretaris werd. De vereniging wist vervolgens de gelden bijeen te brengen om de bouw van nieuwe gebouwen mogelijk te maken.

In november 1882 werden deze nieuwe gebouwen opgeleverd aan de nabijgelegen Tuinstraat 47/51 en de Agricolastraat 56 (tegenwoordig ongeveer Tuinstraat 39-65, Agricolastraat 98-106 en Poortersplein 34-37). Het volledig ommuurde complex bestond uit drie huizen in de vorm van een paviljoensysteem: Een Kinderhuis voor verwaarloosde kinderen; wezen en half-wezen en kinderen die door hun ouders verlaten waren. Vanaf de jaren 1880 werden af en toe ook jongetjes opgenomen in het Kinderhuis, zodat gezinnen bij elkaar konden blijven. Jongens tot 6 jaar en meisjes tot 21 jaar werden er opgevangen. In de loop der tijd groeide het Kinderhuis uit tot het grootste gebouw van het Doorgangshuis. De kinderen droegen geen gestichtskleding en gingen overdag naar school. Dit paviljoen had een open karakter. Het Middenhuis, waar meisjes tussen de 14 en 18 jaar werden ondergebracht; 'jonge dochters die gevaar loopen op slechte wegen te verdwalen of reeds aan kleine vergrijpen zich hebben schuldig gemaakt'. Deze meisjes kregen les in handwerken als naaien en breien in de hoop hen ergens te kunnen plaatsen als 'dagmeisjes' (dienstbodes). Het daarvan vrijstaande Groote Huis voor 'meisjes die reeds in meerdere of mindere mate openlijk de zonde dienden'. Dit paviljoen had een gesloten karakter. De meisjes droegen allemaal blauwe verpleegstersjurken en bijpassende hoeden. Het Groote Huis had plek voor 20 pupillen in de leeftijd van 12 tot 20 jaar. In het gebouw werd ook (aanvankelijk als arbeidstherapie) de was gedaan voor het Doorgangshuis. Het was lichamelijk zwaar handwerk. Om in inkomsten te voorzien werd er tot 1935 tegen betaling ook de was gedaan voor particulieren. In 1952 werd de wasinrichting voor de grote was extern verricht en drie jaar later werd een elektrische wasmachine aangeschaft.

Na ongeveer 25 jaar telde het Doorgangshuis 62 pupillen en 12 'jufvrouwen'. Vanaf ongeveer 1895 draaide het Doorgangshuis met verlies en moest er gezocht worden naar nieuwe vormen van inkomsten. Een mogelijkheid daartoe kwam met de kinderwetten van 1901, toen vanaf 1911 tegen betaling van de overheid ook in het Doorgangshuis voogdijkinderen (kinderen van wie de ouders uit de ouderlijke macht waren ontzet) konden worden geplaatst. De Ranitz was hier echter op tegen omdat met overheidsgelden mogelijk ook meer overheidsbemoeienis zou kunnen volgen.

In 1909 sloot het tehuis zich aan bij de Centrale Bond van Inwendige Zending en Christelijke Philantropische Inrichtingen, die sinds 1901 als landelijke organisatie fungeerde voor 'protestants barmhartigheidswerk'. Dat het acht jaar duurde alvorens men zich aansloot had ook te maken met het feit dat men eerst zeker wilde zijn dat de bond niet 'tiraniek' werkte; zich niet te veel bemoeide met de gang van zaken in het Doorgangshuis.

In 1915 was de Ranitz, die elke dag per rijtuig naar het Doorgangshuis kwam, te oud geworden om het tehuis nog dagelijks te kunnen bezoeken. Zij behield echter haar functie in het bestuur en zorgde daar voor conflicten omdat ze niet mee wilde werken aan de opname van voogdijkinderen. Baas in eigen huis blijven was een van de speerpunten van haar beleid en dat van haar opvolgers. In 1918 stopte ze na 53 jaar echter met haar werkzaamheden (een jaar later overleed ze) en moest er gezocht worden naar een opvolgster.

Van der Brugghen (1919-1945) Het vinden van een opvolgster voor de Ranitz die 'om niet' wilde werken bleek echter moeilijker dan gedacht, waarop de functie van directeur een jaar lang vacant bleef. Het Doorgangshuis dreigde zelfs te zullen worden opgeheven. In 1919 bleek echter de Utrechtse domineesdochter Carolina Margaretha van der Brugghen bereid om 'te helpen' en werd zij benoemd als opvolgster van de Ranitz. In 1922 ging zij akkoord met de plaatsing van voogdijkinderen om de financiële zorgen te kunnen verminderen. Onder haar leiding werden ook een aantal andere veranderingen doorgevoerd. Zo werden de traditionele slaapzalen in het kader van de toegenomen aandacht voor individualisering geleidelijk vervangen door chambrettesZij het dat de door het Ministerie van Justitie geëiste controleerbaarheid van de pupillen wel werd gewaarborgd door het aanbrengen van glas en sloten aan de voorzijde. en werd het Middenhuis omgevormd tot het Passantenhuis; hier werden voortaan in bewaring gestelde minderjarigen opgevangen; het verblijf van de meisjes hier had een meer tijdelijk karakter. In het Passantenhuis bevond zich ook de zogenoemde politiekamer, waar zich drie, door de gemeente betaalde, bedden bevonden voor onder andere meisjes die er een aantal dagen in voorlopige hechtenis konden zitten.

In 1930 werd het Kinderhuis flink uitgebreid en werd het Babypaviljoen in het midden van de tuin tussen de gebouwen gebouwd. Hier sliepen de baby's vanwege besmettingsgevaar bij ziekten gescheiden van elkaar in voor die tijd moderne boxen.

In 1935 beschreef de inspectie het Doorgangshuis als een "aaneenschakeling van vrij oude huizen, die zeer fraai om een mooien ouden tuin zijn gegroepeerd". De Groningse Voogdijraad noemde het Doorgangshuis in 1938 een plek met veel oude tradities. Veranderingen vonden er volgens de raad slechts geleidelijk plaats, hoewel men ook aangaf dat 'een moderner geest' bezig was om door te dringen in het instituut. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog telde het tehuis bijna 100 pupillen.

In de oorlog stonden de ontwikkelingen niet stil, integendeel: De oorlogsperiode lijkt juist door het bestuur te zijn aangegrepen om de zorg sneller te professionaliseren. In 1941 werd voor het eerst een psychiater aangetrokken, nadat al vanaf 1924 de mogelijkheid bestond om een zenuwarts te raadplegen 'bij voorkomende gevallen van onhandelbaarheid en in overspannen toestand verkeerende verpleegden'. Een psychiater moest van het bestuur echter van protestanten huize zijn, wat maar weinig psychiaters waren en dus duurde het tot 1941 alvorens een psychiater werd gevonden in de persoon van Albert Lourens Cornelis Palies; het hoofd van de Provinciale Psychiatrische Dienst. Een jaar later begon het Doorgangshuis met het opnemen van meisjes die via de kinderrechter onder observatie waren geplaatst en meisjes die preventief waren gedetineerd. Ook werden een aantal leidsters gestimuleerd tot het volgen van een schriftelijke cursus voor gestichtspersoneel van de Centrale Bond, maar door de moeilijkheden in de oorlog werd deze cursus halverwege stopgezet. In de oorlog werd het Doorgangshuis ook gebruikt door de Duitsers. In de politiekamer werden door hen tot boosheid van het bestuur ook volwassen vrouwen vastgezet. Ook hielden ze er Joodse vrouwen vast in afwachting van transport naar het kamp Westerbork. In 1944 werden het Kinderhuis en de directricewoning gevorderd door de Wehrmacht om er lichtgewonde Duitse soldaten te kunnen verplegen. De Duitse soldaten zorgden soms voor overlast als ze dronken door de tuin liepen. Ook ontstonden er soms relaties tussen de soldaten en oudere meisjes, die soms ook vervolgens uit het Doorgangshuis ontsnapten.