Peloneustes (wat 'modderzwemmer' betekent) is een monotypisch geslacht van uitgestorven pliosauride plesiosauriërs uit het Midden-Jura van Engeland. De resten zijn gevonden in de Peterborough-afzetting van de Oxford Clayformatie uit het Callovien. Het werd oorspronkelijk beschreven als een soort van Plesiosaurus door paleontoloog Harry Govier Seeley in 1869, voordat het zijn eigen geslacht kreeg door natuurvorser Richard Lydekker in 1889. Hoewel veel soorten zijn benoemd in Peloneustes, is Peloneustes philarchus momenteel de enige die nog steeds als geldig wordt beschouwd, terwijl de anderen naar andere geslachten verhuisden, werden beschouwd als nomina dubia, of synoniem worden geacht aan Peloneustes philarchus. Een deel van het materiaal dat voorheen aan Peloneustes evansi was toegewezen, is sindsdien opnieuw toegewezen aan Pliosaurus andrewsi. Peloneustes is bekend van vele exemplaren, waaronder zeer compleet materiaal.
Met een totale lengte van 3,5 tot vier meter is Peloneustes geen grote pliosauride. Hij had een grote, driehoekige schedel, die ongeveer een vijfde van zijn lichaamslengte besloeg. De voorkant van de schedel is langwerpig met een smal rostrum (snuit). De mandibulaire symphysis, waar de voorste uiteinden van elke kant van de mandibula, dus de gepaarde onderkaken, samensmelten, is langwerpig bij Peloneustes en hielp de kaak te versterken. Een verhoogde rand bevindt zich tussen de rijen tanden op de mandibulaire symphysis. De tanden van Peloneustes zijn kegelvormig en hebben cirkelvormige dwarsdoorsneden, met aan alle zijden verticale richels. De voorste tanden zijn groter dan de achterste tanden. Met slechts negentien tot eenentwintig nekwervels had Peloneustes een korte nek voor een plesiosauriër. De ledematen van Peloneustes waren omgevormd tot vinnen, waarbij het achterste paar groter was dan het voorste.
Peloneustes is geïnterpreteerd als zowel een naaste verwant van Pliosaurus als als een meer basale (vroeg afgesplitste) pliosauride binnen de Thalassophonea, waarbij de laatste interpretatie meer steun vond. Net als andere plesiosauriërs was Peloneustes goed aangepast aan het leven in het water en gebruikte hij zijn vinnen voor een zwemmethode die bekend staat als onder water vliegen. De schedels van pliosauriden werden versterkt om beter bestand te zijn tegen de stress van het voeden. De lange, smalle snuit van Peloneustes had snel door het water kunnen worden gezwiept om vissen te vangen, die hij met zijn talrijke scherpe tanden doorboorde. Peloneustes zou een epicontinentale (binnen)zee hebben bewoond die ongeveer dertig tot vijftig meter diep was. Hij deelde zijn leefgebied met een verscheidenheid aan andere dieren, waaronder ongewervelde dieren, vissen, thalattosuchiërs, ichthyosauriërs en andere plesiosauriërs. Er zijn ten minste vijf andere pliosauriden bekend van de Peterborough-afzetting, maar ze waren behoorlijk gevarieerd in anatomie, wat aangeeft dat ze verschillende voedselbronnen zouden hebben gegeten, waardoor ze concurrentie vermeden door nicheverdeling.
Geschiedenis van onderzoek thumb|Snuit van het holotype De leemlagen van de Peterborough-afzetting van de Oxford Clayformatie worden al lang gedolven voor het maken van bakstenen. Sinds het einde van de achttiende eeuw, toen deze activiteiten begonnen, zijn de fossielen van veel zeedieren opgegraven uit de rotsen. Onder deze bevond zich het exemplaar dat het holotype van Peloneustes philarchus zou worden, ontdekt door geoloog Henry Porter in een leemgroeve in de buurt van Peterborough, Engeland. Het exemplaar omvat beide onderkaken, de snuit, achtenzestig wervels van het hele lichaam, het linkerschouderblad, het rechterravenbeksbeen, de darmbeenderen en zitbeenderen van het bekken, opperarmbeenderen, dijbeenderen, botten van de onderarmen en onderbenen, polsbeenderen, enkelbeenderen en talrijke kootjes. In 1866 kocht geoloog Adam Sedgwick het exemplaar voor het Woodwardian Museum van de Universiteit van Cambridge (nu het Sedgwick Museum of Earth Sciences, Cambridge), waarbij het exemplaar werd gecatalogiseerd als CAMSM J.46913 en werd opgeslagen in de collegezaal van de universiteit in een kast D. Paleontoloog Harry Govier Seeley beschreef in 1869 het exemplaar als de nieuwe soort Plesiosaurus philarchus van het reeds bestaande geslacht Plesiosaurus. De specifieke naam is afgeleid van het Grieks φίλαρχος, 'machtsbelust', mogelijk vanwege zijn grote, krachtige schedel. Seeley heeft dit exemplaar niet in detail beschreven, hij gaf alleen een lijst van het bekende materiaal. Hoewel latere publicaties deze overblijfselen verder zouden beschrijven, bleef CAMSM J.46913 tot 2011 slecht beschreven. thumb|left|upright|Onderkaken en wervels geïllustreerd bij Lydekker De hereboeren Alfred Leeds en zijn broer Charles Leeds verzamelden sinds ongeveer 1867 fossielen uit de Oxford Clay, aangemoedigd door geoloog John Phillips van de Universiteit van Oxford, en legden wat bekend werd als de Leeds Collection aan. Terwijl Charles uiteindelijk vertrok, ging Alfred, die de meeste exemplaren aankocht, door met het verzamelen van fossielen tot 1917. Uiteindelijk, na een bezoek van Henry Woodward van het British Museum of Natural History (nu het Natural History Museum in Londen) aan de collectie van Leeds in Eyebury in 1885 kocht het museum in 1890 ongeveer vijf ton aan fossielen. Dit bracht de collectie van Leeds meer bekendheid, en hij zou later exemplaren verkopen aan musea in heel Europa, en zelfs enkele in de Verenigde Staten. Het zorgvuldig geprepareerde materiaal was meestal in goede staat, hoewel het door geologische processen nogal eens was verbrijzeld en gebroken. Vooral schedels waren hiervoor kwetsbaar. thumb|Het opgestelde skelet Natuurvorser Richard Lydekker werd geïnformeerd over een skelet van een plesiosauriër in het British Museum of Natural History door geoloog George Charles Crick, die daar werkte. Het exemplaar, gecatalogiseerd onder het inventarisnummer NHMUK R1253, was ontdekt in de Oxford Clayformatie in Green End, Kempston, nabij Bedford. Lydekker speculeerde dat het skelet ooit compleet was, pas tijdens de opgraving beschadigd. De gordels van de ledematen waren zwaar gefragmenteerd toen het exemplaar in het museum aankwam, maar medewerker Lingard van de afdeling Geologie slaagde erin om veel ervan te herstellen. Naast de ledematengordels bestaat het exemplaar ook uit een gedeeltelijke onderkaak, tanden, meerdere wervels (hoewel geen enkele uit de nek) en veel van de ledematen. Lydekker identificeerde dit exemplaar als een individu van Plesiosaurus philarchus en publiceerde er in 1889 een beschrijving van. Na bestudering van dit en andere exemplaren in de Leeds Collection, concludeerde hij dat plesiosauriërs met verkorte nek en grote hoofden niet konden worden geclassificeerd als soorten van Plesiosaurus, wat betekent dat dat "P." philarchus behoorde tot een ander geslacht. Hij wees het aanvankelijk toe aan Thaumatosaurus in 1888, maar besloot later dat het duidelijk genoeg was om zijn eigen geslacht te rechtvaardigen, dat hij in zijn publicatie uit 1889 Peloneustes noemde. De naam Peloneustes komt van de Griekse woorden pelos, wat 'modder' of 'klei' betekent, verwijzend naar de Oxford Clayformatie, en neustes, wat 'zwemmer' betekent. Seeley gooide Peloneustes in 1892 echter op één hoop met Pliosaurus en beweerde dat de twee onvoldoende verschillend waren om afzonderlijke geslachten te rechtvaardigen. Seeley en Lydekker konden het niet eens worden over in welk geslacht ze P. philarchus moesten classificeren, wat een onderdeel vormde van een vete tussen de twee wetenschappers. Sindsdien is Peloneustes echter de geaccepteerde naam geworden. thumb|upright|left|De voorvin en achtervin De Leeds Collection bevatte meerdere exemplaren van Peloneustes. In 1895 beschreef paleontoloog Charles William Andrews de anatomie van de schedel van Peloneustes op basis van vier gedeeltelijke schedels in de Leeds Collection. In 1907 publiceerde geoloog Frédéric Jaccard een beschrijving van twee Peloneustes-exemplaren uit de Oxford Clay nabij Peterborough, gehuisvest in het Musée Paléontologique de Lausanne, Zwitserland. De meest complete van de twee exemplaren bevat een complete schedel die beide kaken behoudt; meerdere geïsoleerde tanden; dertien cervicale (nek), vijf borst- (schouder) en zeven caudale (staart) wervels; ribben; beide schouderbladen, een ravenbeksbeen; een gedeeltelijke interclavicula; een compleet bekken behalve een zitbeen; en alle vier de ledematen, die bijna compleet waren. Het andere exemplaar bewaarde drieëndertig wervels en enkele bijbehorende ribben. Aangezien het door Lydekker beschreven exemplaar gerestaureerd was en de ontbrekende informatie in zijn publicatie was aangevuld met gegevens van andere exemplaren, vond Jaccard het relevant om een beschrijving te publiceren met foto's van het meer complete exemplaar in Lausanne om de anatomie van Peloneustes beter te illustreren. thumb|Het skelet in Tübingen In 1913 beschreef natuurvorser Hermann Linder meerdere exemplaren van Peloneustes philarchus die waren gehuisvest in het Institut für Geowissenschaften, de Universiteit van Tübingen en het Staatsmuseum voor Natuurgeschiedenis in Stuttgart, Duitsland. Deze exemplaren waren ook afkomstig uit de Leeds Collection. Onder de exemplaren die hij beschreef uit het voormalige instituut was een bijna compleet gemonteerd skelet, dat alleen twee halswervels miste, enkele staartwervels vanaf het uiteinde van de staart en enkele distale vingerkootjes. Alleen het achterste deel van de schedel was in goede staat, maar de onderkaak was grotendeels onbeschadigd. Een ander exemplaar dat Linder beschreef, was een goed bewaard gebleven schedel (GPIT RE/3409), ook van de Universiteit van Tübingen, die de scleraalring bewaarde (de set kleine botten die het oog ondersteunen), pas de vierde keer dat deze botten waren gemeld bij een plesiosauriër. thumb|De skeletreconstructie Andrews beschreef later de mariene reptielenspecimina van de Leeds Collection die zich in het British Museum of Natural History bevonden en publiceerde daarover twee boekdelen, één in 1910 en de andere in 1913. De anatomie van de Peloneustes-specimina werd beschreven in het tweede deel, voornamelijk gebaseerd op de goed bewaarde schedels NHMUK R2679 en NHMUK R3808 en NHMUK R3318, een bijna compleet skelet. NHMUK R3318 was zo goed bewaard gebleven dat het als een heel skelet kon worden gerestaureerd en gemonteerd, hoewel de ontbrekende delen van het bekken en de ledematen moesten worden ingevuld. Het gemonteerde skelet werd tentoongesteld in de Gallery of Fossil Reptiles van het museum. Andrews had dit dier in 1910 beschreven, waarbij hij opmerkte dat het het eerste gereconstrueerde skelet van een pliosauride was, waarmee hij belangrijke informatie verschafte over de algemene anatomie van die groep.
In 1960 publiceerde paleontoloog Lambert Beverly Tarlo een overzicht van pliosauride soorten die waren gerapporteerd uit het Boven-Jura. Veel soorten pliosauriden waren benoemd op basis van losse fragmenten, waardoor verwarring ontstond. Tarlo ontdekte ook dat onnauwkeurige beschrijvingen van het materiaal en paleontologen die elkaars werk negeerden deze verwarring alleen maar erger maakten. Van de zesendertig soorten die hij bekeek, vond hij er slechts negen geldig, waaronder Peloneustes philarchus. In 2011 beschreven de paleontologen Hilary Ketchum en Roger Benson de anatomie van de schedel van Peloneustes. Sinds de eerdere anatomische studies van Andrews en Linder waren er meer exemplaren gevonden, waaronder NHMUK R4058, een schedel die in drie dimensies bewaard is gebleven en die een beter idee geeft van de vorm van de kop.
Andere toegewezen soorten