De Ornithosuchidae zijn een clade van uitgestorven reptielen, behorend tot de Crurotarsi, die leefde tijdens het Trias.

Deze carnivore dieren stonden in bouw tussen de viervoetige Thecodontia (basale Archosauria) en de tweevoetige dinosauriërs in. De ledematen vertoonden diverse kenmerken van beide groepen, maar desondanks staan deze dieren toch dichter bij de krokodillen. Ze worden bij de Pseudosuchia ingedeeld.

Naamgeving en definitie In 1908 benoemde Friedrich von Huene een familie Ornithosuchidae om Ornithosuchus een plaats te geven.

Lange tijd werd dit als een vrij vaag concept gebruikt waarin allerlei basale en van beperkte vondsten bekende vormen, daaronder ook Saurischia, werden verzameld.

De eerste exacte definitie als klade werd in 1991 gegeven door Paul Sereno: de groep bestaande uit de laatste gemeenschappelijke voorouder van Ornithosuchus, Riojasuchus en Venaticosuchus; en al diens afstammelingen. In 2004 gaf Michael Benton een veel complexere definitie: die taxa welke afstammen van Ornithosuchus longidens en Riojasuchus tenuisceps, en een recentere gemeenschappelijke voorouder met die soorten delen dan met Mystriosuchus planirostris, Stagonolepis robertsoni of de Crocodylia. Benton was duidelijk bang dat Ornithosuchus en Riojasuchus in feite niet nauw verwant waren; in dat geval is volgens deze definitie de verzameling leeg. Sereno vond dit maar een overdreven ingewikkelde en logisch niet sluitende omschrijving en gaf in 2005 om hetzelfde gevaar te vermijden een definitie als stamklade: de groep bestaande uit Ornithosuchus woodwardi Newton 1894 en alle soorten nauwer verwant aan Ornithosuchus dan aan Rutiodon carolinensis Emmons 1856, Aetosaurus ferratus Fraas 1877, Rauisuchus tiradentes Huene 1942, Prestosuchus chiniquensis Huene 1942 of Crocodylus niloticus (Laurenti 1768). In 2011 paste Sterling Nesbitt deze definitie aan door ook de huismus Passer domesticus uit te sluiten.

Vondsten De Ornithosuchidae zijn maar van drie soorten met zekerheid bekend die voorkomen in het Carnien-Norien van Schotland en Argentinië. Toegewezen materiaal uit Texas bleek in 2010 van Silesauridae afkomstig te zijn.

Traditioneel wordt de eerste vondst van een ornithosuchide gedateerd op 1857. Dat jaar werd in de Lossiemouth Sandstoneformatie een rechterbovenkaaksbeen ontdekt dat Thomas Huxley in 1877 benoemde als Dasygnathus longidens. Achteraf bleek er met die benoeming twee fundamentele zaken mis te zijn. De naam was al bezet door een kever en dus niet geldig. In 2016 werd daarnaast gesteld dat het specimen, ELGNM 1 een nomen dubium was, dat zelfs niet met zekerheid als een ornithosuchide te determineren viel.

Het eerste zekere ornithosuchide materiaal is daarmee in 1891 door dominee George Gordon gevonden in een steengroeve bij Spynie, overigens in dezelfde formatie. Het werd in 1894 door Edwin Tulley Newton benoemd als Ornithosuchus, de 'vogelkrokodil'. Het holotype daarvan bestaat uit NHMUK PV R2409, een schedel, en NHMUK PV R2410, een postcraniaal skelet, die afkomstig zijn van een enkel individu waarvan de platen gesplitst werden. Het materiaal uit de formatie heeft als eigenaardigheid dat het ten dele bestaat uit natuurlijke afgietsels en mallen. Desalniettemin is het vrij informatief. Daarbij is Ornithosuchus woodwardi Newton 1894 de typesoort van de familie Ornithosuchidae, indien althans ELGNM 1 niet aan de groep kan worden toegewezen.

Van Ornithosuchus werden later in Schotland nog wat fossielen gevonden. Het taxon wekte in de jaren daarna een grote theoretische belangstelling op, resulterend in een grote beschrijving door Alick Walker in 1964.

Begin jaren zestig werden bij Cerro Las Lajas in Argentinië ornithosuchide vondsten gedaan van schedels, uit de Ischigualastoformatie. Die werden in 1970 door José Fernando Bonaparte benoemd als de soort Venaticosuchus rusconii. Een latere vondst in 1966 van vier skeletten bij La Esquina uit de Los Colorados-formatie was in 1967 al door hem benoemd als Riojasuchus tenuisceps. Deze soort zou dus jonger zijn dan de andere twee en stammen uit het middelste Norien.

In 1965 werd Strigosuchus in eerste instantie benoemd als een ornithosuchide maar het bleek later een lid te zijn van de Sphenosuchia.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Ornithosuchidae konden een lengte bereiken van twee tot misschien vier meter. Die laatste lengte is echter gebaseerd op de omvang van ELGNM 1: is dit geen ornithosuchide dan duidt het bekende materiaal op dieren van een meter of twee. De achterpoten waren langer dan de voorpoten en hadden een verregaand verticale positie met weinig spreiding, dus in feite stonden ze verticaal onder het lichaam. Waarschijnlijk konden de dieren zich op zowel vier als op twee poten voortbewegen. De voorpoten maakten nog altijd twee derde uit van de lengte van de achterpoten. De hals was krachtig en kort, terwijl de kop groot was, maar tenger gebouwd. Die grote tanden waren zijdelings afgeplat. Op de rug bevonden zich twee rijen kleine beenplaten, de staart was door een rij beenplaten gepantserd.

In 2011 gaf Nesbitt een aantal gedeelde afgeleide kenmerken aan, synapomorfieën. De praemaxilla draagt drie tanden. De praemaxilla hangt af. Op het raakvlak van de praemaxilla en het bovenkaaksbeen bevindt zich een hiaat of diasteem in de tandenrij met een breedte van twee tanden. Het neusbeen raakt het prefrontale niet. De achterste zijtak van het postfrontale helt naar voren onder een hoek van vijfenveertig graden. Er bevindt zich geen venster tussen het verhemeltebeen en het pterygoïde. De oogkas eindigt onderaan in een V-vormige punt begrensd door opgaande takken van het jukbeen. Over een lengte van een derde deel van de onderkaak zijn het dentarium en het spleniale vergroeid tot een symfyse. Bij de halswervels steekt het middelste gedeelte van de kiel onder de randen van het wervellichaam uit. Het schaambeen heeft minstens zeventig procent van de lengte van het dijbeen. Bij het dijbeen wordt de trochanter anterior als een opstaande richel van de schacht gescheiden maar blijft er over de volle lengte mee verbonden. In de enkel zijn het sprongbeen en het hielbeen onderaan met elkaar verbonden via een hol vlak op het sprongbeen en een bol vlak op het hielbeen, de crocodile-reversed ankle joint. Het vijfde middenvoetsbeen heeft bovenaan geen haakvormig uiteinde.

Skelet thumb|upright=1.7|Het skelet van Riojasuchus De kop van de Ornithosuchidae is hoog, vooral achteraan. Naar voren loopt de snuit af en het voorste gedeelte overhangt de onderkaken. Het voorste snuitbot, de praemaxilla, wordt van het achterliggende bovenkaaksbeen gescheiden door een tandeloze inkeping die zo meteen een diasteem vormt tussen de tandrijen. De voorste snuit is in bovenaanzicht zeer spits en meer achteraan ingesnoerd. De praemaxilla begrenst een groot neusgat en draagt voor zover bekend altijd drie tanden, een vrij laag aantal want sommige Pseudosuchia hebben er vijfentwintig. De fenestra antorbitalis is vrij klein. De oogkas heeft een scherpe onderste punt, omvat door opgaande takken van het jukbeen. Het quadratojugale is V-vormig en de opgaande tak ervan snoert samen met de neergaande tak van het squamosum het onderste slaapvenster van achteren in. Het bovenste slaapvenster is relatief klein. Het squamosum steekt achter de kop van het quadratum uit. Het quadratum buigt hol naar achteren, wat het kaakgewricht ver achter de achterhoofdsknobbel brengt. Het verhemelte is tandeloos, anders dan bij veel verwanten. Tussen het verhemeltebeen en het pterygoïde bevindt zich een venster, anders dan bij veel basale archosauriërs.

De voorkant van de onderkaak draagt lange tanden die in het diasteem van de bovenkaak passen. Soms is de eerste tand erg klein. De tweede en derde tand zijn dan erg groot. Er is een groot en langwerpig buitenste zijvenster.

De wervelkolom bestaat uit negen halswervels, veertien of vijftien ruggenwervels, drie sacrale wervels en tot meer dan vijfendertig staartwervels. De wervels zijn kort en hoog. Hun doornuitsteeksels zijn langwerpig en staan verticaal. De doornuitsteeksels van de halswervels zijn bovenaan overdwars verbreed. Bij de voorste en middelste halswervels zijn de voorste gewrichtsuitsteeksels schuin naar boven gericht. De wervellichamen van de ruggenwervels zijn ingesnoerd en hebben schijfvormige gewrichtsfacetten. De doornuitsteeksels van de middelste ruggenwervels zijn bovenaan matig overdwars verbreed, T-vormige plateaus vormend voor de pantserplaten. Bij de achterste ruggenwervels en de sacrale wervels zijn die plateaus geheel afwezig. De onderzijde van de sacrale wervels is afgeplat. De staartwervels hebben spoelvormig ingesnoerde wervellichamen.

De diepte van het schoudergewricht varieert nogal. Het is ondiep bij Ornithosuchus, veel dieper bij Riojasuchus. Het schouderblad is typisch lang en weinig aan de bovenzijde/achterzijde verbreed. De processus acromialis is laag en gelegen boven een grote ronde inzinking. Het ravenbeksbeen is halvemaanvormig met een lange taps toelopende punt aan de onderste achterzijde. Een ovaal foramen coracoideum doorboort het ravenbeksbeen een stuk onder de beennaad met het schouderblad.

Het opperarmbeen heeft een goed ontwikkelde deltopectorale kam. Aan de bovenkant steekt de binnenste hoek ver uit. Dat duidt op een zekere spreidstand. De bovenrand is golvend in vooraanzicht met de kop als een bolling in het midden. Ellepijp en spaakbeen zijn slanke en staafvormige botten. Het zou kunnen dat ornithosuchiden in het algemeen vrij lange en slanke voorpoten hebben met het basale aantal van vijf vingers.

In het bekken is het darmbeen hoog met een taps toelopend achterblad. Bij Ornithosuchus is het voorblad groot, recht afgesneden en tamelijk ver uitstekend, zij het niet verder dan de voorrand van het aanhangsel voor het schaambeen. Bij Riojasuchus is het rond en gereduceerd. Boven het heupgewricht bevindt zich een duidelijke antitrochanter. Het heupgewricht is als geheel aan de binnenzijde gesloten maar op de beennaad tussen darmbeen en zitbeen bevindt zich een beginnende perforatie. Bij Ornithosuchus wordt het hoofdlichaam van het schaambeen door een groot ovaal foramen obturatum doorboord. Het schaambeen heeft een opvallend lange schacht die hol naar achteren is gebogen. Het zitbeen heeft een kleine processus obturatorius op de voorrand. Bij Ornithosuchus is het onderste uiteinde verticaal verbreed.

Het dijbeen heeft een golvend profiel met de kop naar voren en binnen gericht. Dat duidt op een verticale stand. Zowel de trochanter minor als de trochanter major zijn goed ontwikkeld maar de vierde trochanter bevindt zich laag op de schacht, een aanwijzing dat ornithosuchiden geen goede renners waren. Een hoge plaatsing voor deze aanhechting van de retractorspier maakt het immers mogelijk de achterpoot snel naar achteren te trekken. Daarentegen zijn er bij het scheenbeen van Riojasuchus duidelijke aanwijzingen dat het onderbeen snel gestrekt kon worden. De enkel toont de befaamde crocodile-reverse ankle joint waarbij het hielbeen met een lang uitsteeksel zijdelings in een holte van het sprongbeen steekt maar het sprongbeen geen groot uitsteeksel in het hielbeen heeft. De vijf middenvoetsbeenderen zijn recht en langwerpig.

Pantser Van het lichaamspantser is niet heel veel bekend. Vermoedelijk lag boven iedere wervel een paar pantserplaten aan weerszijden. Die platen zijn verbeende osteodermen en waren waarschijnlijk bedekt met een hoornlaag. De platen zijn eenvoudig geornamenteerd met een opstaande lengterichel evenwijdig aan de buitenste zijrand.

Fylogenie