thumb|Dit soort vandalisme is typerend voor de taalstrijd: plaatsaanduidingen in de niet gewenste taal (in dit geval het Nederlands) worden onleesbaar gemaakt. thumb|Taalstrijd in 's-Gravenvoeren
In de Belgische Voerstreek woedde met name in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de twintigste eeuw een taalstrijd. De zes dorpen langs de riviertjes de Voer en de Gulp werden in die jaren onderwerp van politiek verhitte taaldebatten. De overheveling van de streek van de Waalse provincie Luik naar de Vlaamse provincie Limburg bij de vastlegging van de taalgrens in 1963 resulteerde in politiek gekrakeel dat in de jaren 1980 geregeld een nationale dimensie kreeg en in 1987 tot de val van de federale regering leidde.
De dorpen in de Voerstreek zijn sinds 1963 wettelijk Nederlandstalig met faciliteiten voor Franstaligen. De plaatselijke bevolking sprak in de vier westelijke dorpen (Moelingen, 's-Gravenvoeren, Sint-Martens-Voeren en Sint-Pieters-Voeren) oorspronkelijk Voerens, een Limburgs dialect en in de twee oostelijke dorpen in het Gulpdal (Teuven en Remersdaal) Platdiets. Vanwege de ligging op de grens van het Nederlandse, Duitse en Franse taalgebied beheerst de bevolking vaak zowel Nederlands, Frans als Duits.
Achtergrond Talentellingen Bij de eerste talentelling in 1846 was de Voerstreek vrijwel volledig Nederlandstalig: in vier van de zes dorpen gaf ongeveer 95% van de bevolking aan Nederlands te spreken en alleen in Moelingen was er een grote Franstalige minderheid (40%). Remersdaal hoorde op dat moment nog bij de gemeente Homburg, waar 90% aangaf Nederlands te spreken (tegenover 8% Frans en 2% Duits). Remersdaal werd in 1851 een onafhankelijke gemeente, mede omdat de kerktaal in Homburg Duits en in Remersdaal Nederlands was.
Bij de talentelling van 1930 had het Frans weliswaar aan terrein gewonnen, maar nog steeds was er overal een Nederlandstalige meerderheid, die uiteenliep van 73% in Moelingen tot 91% in Teuven. Zeventien jaar later, bij de omstreden talentelling van 1947, waarvan bekend is dat de resultaten op verschillende plaatsen gemanipuleerd werden, bleek plotseling in vijf van de zes dorpen sprake van een Franstalige meerderheid.
+ Uitkomsten van drie talentellingen in de Voerense gemeenten GemeenteTelling 1846Telling 1930Telling 1947NLFRNLFRNLFR Moelingen 31759% 21941% 46973% 17727% 18227% 48773% 's-Gravenvoeren 1.32094% 796% 92275% 30725% 52144% 67256% Sint-Martens-Voeren 1.12096% 424% 80590% 8810% 48058% 34842% Sint-Pieters-Voeren 46796% 194% 24987% 3813% 16350% 16450% Teuven 51295% 285% 53891% 549% 28347% 32453% Remersdaal±92%±8% 31676% 10224% 9224% 29476% Voerstreek± 91%± 9% 3.29981% 76619% 1.72143% 2.28957%
Opmerkelijk is dat de Limburgse dialecten in de Voerstreek van de Nederlandstalig-gezinden de laatste 50 jaar steeds meer (verbasterde) Nederlandse of Vlaamse woorden in zich hebben opgenomen, terwijl het Limburgs van de Franstalig-gezinden steeds meer (verbasterde) Franse woorden in zich heeft.
Zie Resultaten van de talentelling per faciliteitengemeente
Aan de uitkomsten van de talentellingen moet geen absolute waarde worden gehecht. In de oostelijke buurgemeenten van Voeren (Sippenaeken, Gemmenich, Montzen, Moresnet en het al genoemde Homburg) valt op dat men grote moeite had zich in te delen in een van de standaardtalen, waardoor bij opeenvolgende tellingen steeds weer andere uitkomsten zichtbaar zijn, hoewel de gehele bevolking hetzelfde plaatselijke dialect is blijven spreken. De talentellingen zeggen daardoor soms meer over taalvoorkeur, door sociaal prestige en politieke druk gemotiveerd, dan over de daadwerkelijk gesproken taal. Overigens kan de voorkeur voor een bepaalde taal in enkele generaties leiden tot de overgang naar die taal, vooral als de voorkeur vertaald wordt in een keuze voor onderwijs in die taal. In de genoemde oostelijke buurgemeenten van Voeren is dat proces gaande en spreekt de jongere generatie voornamelijk nog het Frans dat hun op school is geleerd. Als tweede taal wordt steeds meer voor het Duits dan voor het Nederlands gekozen.
Verfransing Voor de officiële vaststelling van de taalgrens (1963) hoorde de Voerstreek bij de overwegend Waalse (Franstalige) provincie Luik. Deze provincie is in de Franse tijd (1795) gevormd als het departement Ourthe, waarin ook werden opgenomen delen van het voorheen met het hertogdom Brabant verbonden land van Dalhem die overwegend Diets (Nederlandstalig) waren, alsmede het gehele oude hertogdom Limburg, waarvoor hetzelfde gold. Bovendien kwamen er ook Duitstalige (Ripuarisch en Moezelfrankisch sprekende) plaatsen in het oosten bij als Eupen en Sankt Vith; het was dus geen volledig Waalse provincie.
De verfransing in het noorden van de provincie Luik werd sinds de onafhankelijkheid van België in 1830 steeds sterker. Dit proces had te maken met de groeiende invloed vanuit het geïndustrialiseerde Luik en de toenemende mobiliteit naar de rest van België. Mede als reactie op gebeurtenissen tijdens en na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog werd dit proces nog versterkt. De verfransingsdruk had echter bij het in werking treden van de Belgische taalwetgeving van 1963 nog steeds geen definitieve stempel gedrukt op het noorden van de provincie Luik.
Toen de Zuidelijke Nederlanden achtereenvolgens onder Spaans, Oostenrijks en Frans gezag stonden moest men Frans kennen om hogerop te komen. De taal van de adel in Vlaanderen was, zoals in heel Europa, Frans. De taal van de hogere sociale kringen in Vlaanderen was eeuwenlang overwegend Frans. Hoewel het Nederlands steeds de meest gesproken taal in België is geweest, werd de eerste Nederlandstalige rede in het Belgische parlement pas in 1869 gevoerd onder luid gelach en gejoel. Een eeuw later waren de verhoudingen tussen beide categorieën taalgebruikers weliswaar formeel en statutair gewijzigd, maar daarmee was de gelijkberechtiging van het Nederlands nog niet overal en altijd een natuurlijk gegeven, met name niet in bepaalde gebieden bij de taalgrens en rond Brussel.
Bestuurlijke indeling door de Fransen thumb|Bestuurlijke indeling van de Nederlanden door de Fransen (1792-1815) In de periode van de Oostenrijkse Nederlanden was het tweetalige, maar voor 3/5 Limburgs sprekende oude Hertogdom Limburg nog geheel intact, inclusief het Graafschap Dalhem. Het waren de Franse bezetters die in 1794 de grens bepaalden waarmee het grootste deel van het land van Dalhem en het hertogdom Limburg werd ingedeeld bij het departement Ourthe, de latere provincie Luik. Enkel de oude Dalhemse dorpen Mheer, Noorbeek, Oost en Cadier brachten zij onder bij het departement Nedermaas, dat de basis zou vormen voor de latere provincies Belgisch- en Nederlands-Limburg. De Franse tijd heeft welgeteld twintig jaar geduurd, maar zij heeft de staatkundige vorm van de beide provincies Limburg en die van Luik vrijwel volledig bepaald. Het was in deze tijd dat de Voerstreek bij de latere provincie Luik kwam. In feite brachten de Fransen zo ook de scheiding aan tussen de Overmase gebieden Voerstreek, Platdietse streek en het huidige kanton Eupen enerzijds, en de rest van de Limburgse gewesten anderzijds.
De Franse revolutionaire veroveraars wilden een logische en overzichtelijke bestuurlijke administratie en maakten zo veel mogelijk komaf met het ancien régime, haar instellingen, indelingen en grenzen. Een departement moest voldoende omvang hebben en naar een aardrijkskundig gegeven worden genoemd, bij voorkeur een rivier, om elke herinnering aan een hertogdom, graafschap of heerlijkheid te vermijden. Dit hadden ze eerder ook in Frankrijk zo gedaan.
De lokale taal speelde bij de herindeling in departementen geen rol, omdat de bestuurstaal in de Nederlanden, zoals in grote delen van Europa al eeuwenlang het Frans was. De bevolking in de Voerstreek sprak een Limburgs dialect en de plaatselijke notabelen beheersten meestal tevens het Frans.
Koning Willem I der Nederlanden heerste als een absoluut monarch over zijn nieuwe koninkrijk. De universiteiten in Vlaanderen en Brabant werden onder zijn bewind Nederlandstalig, tegen de zin van verfranste burgerij. De nieuwe koning wilde als verlicht despoot enkele hervormingen uit de Franse Tijd handhaven: een gecentraliseerd bestuur met een hofcultuur, waarin functies voor gunstelingen als hoffunctionaris, investeren in industrie en infrastructuur. De taal van het hof was het Frans, de wetgeving werd in het Frans en het Nederlands afgekondigd.
Na de nederlaag en de verdrijving van de Fransen in 1815 liet Willem de door de Fransen geschapen departementale structuur intact, maar gaf er nieuwe namen aan. Zo ontstonden de provincies Limburg en Luik. Willem voerde de titel van hertog van Limburg. Ook het oude hertogdom Luxemburg werd op het Congres van Wenen in 1815 voor hem weer uit de mottenballen gehaald: het Congres verhief Luxemburg tot groothertogdom.
Weerstand tegen de verfransing Het landelijke noorden van de provincie Luik, waaronder ook de Voerdorpen, werd vanaf de industrialisatie steeds meer economisch afhankelijk van het industriegebied rond de stad Luik. Bewoners waren voor hun opleiding na de lagere school meestal aangewezen op instituten waar het Frans de standaard-voertaal was. In het dagelijks leven werd het dialect gebruikt, de overheid gebruikte Frans en in de kerk en de lagere scholen bleef het meestal Nederlands of Duits. Invloedrijke bewoners als pastoor Hendrik Veltmans (1866-1954) van Sint-Martens-Voeren betoogden echter dat Voeren cultureel Vlaams was en deden actieve pogingen om Voeren bij Vlaanderen te krijgen.
Bij de eerste talentelling in 1846 was de Voerstreek nog haast volledig Nederlandstalig (zie boven), alleen in Moelingen was er een grote Franstalige minderheid (40%). Bij de talentelling van 1930 had het Frans weliswaar terrein gewonnen, maar nog steeds was er overal een grote Nederlandstalige meerderheid, variërend van 73% in Moelingen tot 91% in Teuven. Hierop volgden administratieve veranderingen ten gunste van het Nederlands. De taalstrijd was begonnen.
Zeventien jaar later, bij de omstreden talentelling van 1947, waarvan bekend is dat de resultaten op verschillende plaatsen gemanipuleerd werden, bleek plotseling in vijf van de zes dorpen sprake van een Franstalige meerderheid. Er werd besloten om Voeren net als Brussel tweetalig te maken, met het Frans als de overwegende taal. Aan deze resultaten werd echter weinig waarde gehecht door de deskundigen die in opdracht van de Belgische regering advies moesten uitbrengen over de definitieve vastlegging van de taalgrens. Het Centrum Harmel had in de jaren vijftig de opdracht een oplossing aan te reiken voor de bestaande taalproblemen. De oplossing was de taalgrens eens en voor altijd vast te stellen. Men adviseerde één scherpe taalgrens zonder overgangsgebieden, omdat men toen al inzag dat juist tweetalige overgangsgebieden voor problemen zouden blijven zorgen. Het Centrum adviseerde dat de zes gemeenten in de Voerstreek Nederlandstalig zouden blijven, maar wel met een speciaal taalregime, dat in overleg met de gemeentebesturen nog verder uitgewerkt moest worden.
Uitruil met Luik en Henegouwen thumb|Arrondissement Tongeren met de exclave Voeren (rechts) In 1963 kwam de Voerstreek bij de Vlaamse provincie Limburg. Van de bestaande Belgische provincie Limburg werden tegelijkertijd een groter aantal overwegend Franstalige plaatsen naar de provincie Luik overgeheveld: Korsworm (Corswarem), Wouteringen (Otrange), Rukkelingen-aan-de-Jeker (Roclenge-sur-Geer), Bitsingen (Bassenge), Wonk (Wonck), Eben-Emael en Ternaaien (Lanaye).
thumb|Arrondissement Moeskroen met de exclave Komen-Waasten (links)