Charles Van der Cruyssen (Gent, 11 juli 1874 – Florenville, 30 april 1955) was een Belgische middenstander, oorlogsvrijwilliger en trappist.

Middenstander Carolus Emilius Franciscus Van der Cruyssen was de oudste zoon van Charles Van der Cruyssen (een zelfstandige behanger in de Papegaaistraat in Gent) en Jeanne Moerman (kleermaakster). Vader Charles overleed op 28 december 1900 op 51-jarige leeftijd.

Na zijn humaniorastudies in het Sint-Amanduscollege (Gent), begon Charles junior in 1891 te werken in de firma van zijn ouders.

In april 1896 vestigde hij zich samen met zijn broer als zelfstandige behanger. In 1899 richtte hij het Syndicaat der Behangersbazen op en werd hij er de eerste secretaris. Het syndicaat beschikte over een eigen lokaal en vakschool en ontving in 1904 een toelage van 500 frank van de stad Gent. Op 16 september 1901 sprak hij, in het Nederlands en het Frans, als secretaris van het syndicaat op een middenstanderscongres te Namen. Op 10 oktober 1901 behoort hij tot de stichters, als adjunct-secretaris, van de Bond voor het contant betalen (La Ligue nationale pour le payement comptant).

In januari 1903 verscheen het eerste nummer van het maandblad De Nieuwe Burgerij, het orgaan van de toenmalige middenstand van Vlaams België. Hij schrijft er het richtinggevende artikel 'Ons programma' in.

In 1904 werd hij aannemer van openbare werken en hij kreeg weldra belangrijke opdrachten (onder andere bij de bouw van de Belgische paviljoenen op de Wereldtentoonstelling van 1905 te Luik, de Wereldtentoonstelling van 1906 te Milaan en bij de heropbouw van de door brand verwoeste kermisattracties op de Wereldtentoonstelling van 1910 te Brussel, enz...). Hij stelde op bepaalde ogenblikken enkele honderden arbeiders te werk. In juli 1904 was hij de afgevaardigde van een internationale tentoonstelling van kleine motoren en gereedschapsmachines te Gent. Hij woonde toen in de Onderstraat nr. 9.

Ondertussen speelde Charles gaandeweg een leidende rol in de Gentse en nationale middenstandsbeweging, eerst nog onder de bescherming van Gérard Cooreman, die hem binnenloodste in het nationaal bestuur van de Katholieke Jonge Wachten (Jeunes Gardes Catholiques) waar hij heel wat belangrijke netwerken kon opbouwen. Te Doornik, op een tweedaagse van dit verbond, heft hij in juli 1914 op een banket met 500 aanwezigen - volgend op een plechtige mis gehouden in de kathedraal aldaar - in het Nederlands, het glas op de rechterzijde in het parlement. Op dit banket wordt de Brabançonne gespeeld door het orkest en zingen de Vlamingen de Vlaamse Leeuw.

Het Staatsblad van 29 augustus 1905 publiceert dat hij benoemd werd tot lid van de commissie ('Commissie der kleine burgerij': gesticht op 10 april 1902, werkzaam tot juni 1907) belast met het onderzoek van de situatie van de middenklasse werkzaam in de industrie of handel (en het bestuderen van maatregelen die hun toestand konden verbeteren).thumb|left|upright=1.1|Gedenkplaat in Gent Hij stichtte in 1905 een "Leenkas tot aankoop van kleine werktuigen" en een paar jaar later de "Belangen van de Middenstand" en ten slotte lag hij in 1913 mede aan de basis van het Katholiek Middenstandsverbond van België.

Aan een gevel in de Lange Kruisstraat in Gent hangt een gedenkplaat geschonken door De Koninklijke Kring God en Vaderland (waarvan hij een van de medeoprichters was) en De Christelijke Middenstandsbeweging.

Oorlogsvrijwilliger Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, meldde Charles zich als oorlogsvrijwilliger bij de Genietroepen. In september 1914 was hij al sergeant en in januari 1916 werd hij onderluitenant. In die tijd bleef hij ook zijn lijfblad "God en Vaderland / Dieu et Patrie" uitgeven en werkte verder aan zijn sociaal netwerk, o.a. door schriftelijke contacten met Frans Van Cauwelaert, die toen in Nederland verbleef, en met Marie-Elisabeth Belpaire, de medeoprichtster van de De Belgische Standaard, die een goede bekende was van de toenmalige koningin der Belgen Elisabeth.

Bij het bevrijdingsoffensief werd hij op 21 oktober 1918 te Zomergem zwaar gewond en door de Duitsers als krijgsgevangene meegenomen naar een Duits veldhospitaal te Antwerpen, van waaruit hij kon ontsnappen.

In december 1918 was hij terug in Gent, overladen met medailles (hij was een van de meest gedecoreerde soldaten van het Belgisch leger) en werd hij gevierd als een oorlogsheld.

Trappist Op 30 oktober 1919 nam Charles Van der Cruyssen de trein naar Frankrijk en trad er binnen in de Abdij Notre-Dame de la Grande Trappe te Soligny-la-Trappe in Normandië. Hij koos als kloosternaam Marie-Albert.

Marie-Albert Vander Cruyssen legde op 1 november 1924 zijn eeuwige geloften af en in december 1925 werd hij tot priester gewijd.

Orval

thumb|rechts|Ruïnes van de oude abdij van Orval De oude cisterciënzer abdij Notre-Dame d'Orval was in 1793 verwoest door de Franse revolutionaire troepen. De ruïnes werden op 19 juli 1926 door mevrouw Marcienne Colin-Wauters, echtgenote Albert de Harenne, geschonken aan de vzw l'abbaye de Notre Dame d'Orval. Deze vzw [asbl] was op 8 juli 1926 opgericht door Dom Marie-Albert en enkele Gentse vrienden, waaronder Fernand van Ackere.

In de zomer van 1926 werd Dom Marie-Albert, samen met enkele andere monniken, belast met de heropbouw van de abdij. Hij stelde Henri Vaes (waarmee hij vroeger reeds had samengewerkt) aan als architect voor de bouw van een monumentaal complex, dat aan honderden monniken onderdak moest verlenen.

Albert Servaes, een studievriend, ontwierp de beroemde kruisweg in de kerk van de abdij (die in 1940 Basilica minor werd en in 1948 Basiliek).

Het geld voor de bouw kreeg hij samen door verschillende inzamelingsacties in gans België, door speciale postzegels met toeslag te verkopen en door in 1931 een brouwerij en in 1932 een kaasmakerij op te starten.

Abt Dom Marie-Albert werd op 29 februari 1936 tot abt van de nieuwe abdij gekozen en op 10 mei werd hij gewijd. Hij was de 53ste abt van Orval en de 1ste van de nieuwe abdij. Hij koos als leuze Per Crucem (Door het kruis).

Ziekte en overlijden In 1949 werd hij tweemaal getroffen door een beroerte, waardoor hij vrijwel volledig werd verlamd. Op 17 oktober 1950 gaf hij zijn ontslag als abt.

Hij overleed in de abdij op 30 april 1955.

200px|rechts|thumb|Onze-Lieve-Vrouwabdij van Clairefontaine in Cordemois Cordemois De oude trappistinnen-abdij van Clairefontaine was eveneens vernietigd in 1794 en twee jaar later opgeheven.

Ook hier stelde Dom Marie-Albert Henri Vaes aan als architect voor de bouw in 1935 van een nieuwe abdij: de Onze-Lieve-Vrouwabdij van Clairefontaine in de vallei van de Semois in Cordemois, een gehucht op 3 km van Bouillon.

Sorée Onder de leiding van Dom Marie-Albert stichtte Julienne Angenot de priorij van de Bernardines Réparatrices in Sorée.

Hun regel werd in 1931 goedgekeurd door Thomas Louis Heylen, bisschop van het bisdom Namen en de congregatie werd definitief opgericht op 30 januari 1934. De gemeenschap werd in 1961 overgebracht naar Tilff.

Externe links

Categorie:Belgisch militair in de Eerste Wereldoorlog Categorie:Abt van Orval Categorie:20e-eeuws abt