thumb|Plan van het bombardement (Harmanus van Loon,1695)

Het Bombardement op Brussel is de meest vernietigende ramp uit de geschiedenis van de stad. Op 13, 14 en 15 augustus 1695 bombardeerden de troepen van koning Lodewijk XIV van Frankrijk Brussel, ze schoten het centrum van de stad in brand. Het aanvallen van een burgerdoelwit zonder militaire betekenis werd beschouwd als een schande. Het bombardement zou in de eeuwen er na gekenschetst blijven als 'barbaars'.

Hoeveel mensen zijn omgekomen bij de totale oorlog van de Fransen, is niet bekend. De teloorgegane gebouwen, kunstwerken en archieven zijn beter gedocumenteerd.

In de jaren na de bombardementen volgde een uitgebreide heropbouw. Deze werken hebben het aanzicht van de stad ingrijpend gewijzigd, niet in het laatst van de Grote Markt.

Historische context thumb|left|200px|Maximiliaan-Emanuel, keurvorst van Beieren en gouverneur van de Spaanse Nederlanden

De 17e eeuw is voor de Fransen hun Grand Siècle, maar bracht voor de Zuidelijke Nederlanden een aaneenschakeling van oorlogen, vernielingen, belegeringen, plunderingen en blokkades. Ingeklemd tussen de grootmachten was het gebied overgeleverd aan strijdende legers in steeds wisselende allianties. Onder Richelieu was Frankrijk een agressieve expansiepolitiek gaan volgen en was het al in 1635 de Zuidelijke Nederlanden binnengevallen. Lodewijk XIV ging hiermee door en behaalde in 1658 een overwinning in de Slag der Duinen. In 1688 waagde Lodewijk een nieuwe poging: zijn legers vielen de Palts binnen en ontketenden de Negenjarige Oorlog. Zeven mogendheden verenigden zich tegen hem in de Liga van Augsburg. De in Brussel gebaseerde landvoogd van de Spaanse Nederlanden, Maximiliaan II Emanuel van Beieren, maakte deel uit van deze Europese coalitie.

In de Nederlanden behaalde Lodewijk overwinningen bij Fleurus (1690), Steenkerke (1692) en Neerwinden (1693), maar hij wist ze niet uit te buiten. Het keerpunt van de oorlog kwam er vanaf juli 1695. Ligatroepen onder Menno van Coehoorn slaagden erin Namen te heroveren en brachten de in de citadel verschanste Fransen in het nauw. Pas enkele maanden voordien was de bevelvoerder van Lodewijks Armée de Flandre overleden, de succesvolle maar bij de koning weinig geliefde Maarschalk van Luxemburg. Hij had hem vervangen door zijn vertrouweling François de Neufville de Villeroy, die zich een strateeg van twijfelachtig allooi zou tonen.

De zonnekoning was door de tegenslag van Namen geïrriteerd en eiste van zijn maarschalk een klinkend wapenfeit. Hij stelde voor om Brugge of Gent te verwoesten. Dit strookte met zijn recent aangenomen tactiek om de gebieden die hij niet permanent in handen kon krijgen zo zwaar mogelijk te beschadigen (Genua in 1685, Koblenz in 1688, Luik in 1691).Louis XIV de France de Bourbon (1638-1715) (bezocht op 12 mei 2014) Zo kon hij ze tevens treffen als economische concurrenten van de Franse industrie. In 1688 was dit al geculmineerd in zijn infame bevel Brûlez le Palatinat! Villeroy ging niet in tegen deze nog steeds ongebruikelijke wens van zijn vorst. Wel kon hij hem overtuigen dat het bombarderen van Brussel meer effect zou hebben. Hij dacht dat het de vijand zou aanlokken, die zo op een meer voordelige plaats kon worden bestreden dan als het leger zelf naar Namen zou trekken om er het beleg te doorbreken.

Bombardement Voorbereidingen thumb|left|200px|François de Neufville, duc de Villeroy

Tegen eind juli – nog vóór de val van Namen – bezorgde Villeroy een uitgewerkt memorandum van zijn artilleriemeester aan de koning. Het stelde de volgende benodigdheden voorop: 12 kanonnen, 25 mortieren, 4.000 kanonskogels, 5.000 bommen, 6.000 lanceerraketten, 2.000 granaten, 20.000 loden kogels, grote hoeveelheden buskruit en 900 karren om alles te vervoeren., , en (1992), Le bombardement de Bruxelles par Louis XIV et la reconstruction qui s’ensuivit, 1695–1700 (Brussel: Editions Archives d’Architecture Moderne), blz. 54 Daarbovenop kwamen nog de levensmiddelen voor een leger van 70.000 man. In dit document voegde Villeroy ook een gedetailleerde planning en gaf hij aan welke Franse versterkingen welke benodigdheden moesten leveren: manschappen uit Charleroi, Philippeville en Dinant, bevoorrading uit Kortrijk en Ieper, kanonnen en munitie uit Dowaai. Het leger en het konvooi verzamelden in Bergen. Van daaruit begaven ze zich op 7 augustus naar Brussel.

Volgens plan gaf Villeroy ruchtbaarheid aan zijn intenties in een poging om de geallieerde strijdkrachten aan te lokken. Enkele dagen eerder had maarschalk Boufflers een verdrag afgesloten waarbij hij de stad Namen opgaf en zich terugtrok in de citadel. Op 9 augustus werden de vijandigheden in Namen hervat. Noch Willem van Oranje, noch Maximiliaan van Beieren maakten aanstalten om het beleg op te geven. Enkel het 15.000 man sterke leger van de prins van Vaudémont naderde Brussel, maar hield zich afzijdig wegens het numerieke overwicht van de Fransen.

Het Franse leger kwam op 11 augustus aan en installeerde zich op een hoogte ten westen van de stad. Brussel was geen militair-strategische versterking noch een garnizoensstad. Zijn tweede omwalling was een eeuw geleden verbeterd, maar nu verouderd. Uiteindelijk had dit weinig belang. Het was de agressor er niet om te doen bressen te slaan, maar de stad zelf vanop afstand te verwoesten. Met gemak namen de Fransen twee schansen in voor de Vlaamse en Anderlechtse Poort. Ze groeven zich in een stelden hun batterijen op.

thumb|Plan van Brussel uit de collectie van Lodewijk XIV

Pseudo-ultimatum Rond de middag van 13 augustus waren de voorbereidingen klaar. Villeroy liet namens de koning een brief bezorgen aan de prins van Bergen, de militaire gouverneur van Brussel. Aangezien het weglokken van vijandelijke troepen geen geloofwaardige uitleg meer kon bieden voor het bombardement, riep de brief een nieuw voorwendsel in. Het nakende bombardement werd voorgesteld als represaille voor de Engelse beschietingen van Kanaalhavens. Deze beschietingen waren zelf een reactie op de kapersoorlog die de Fransen van daaruit voerden, met Jan Baert als meest gevreesde exponent. De brief kondigde het bombardement aan binnen zes uren en stelde dat van zodra men zou verzekeren dat geen bommen meer zouden gegooid worden in de zeehavens van Frankrijk, de koning er eveneens geen meer zou gooien in de steden die behoorden tot de vorsten waarmee hij in oorlog was. De brief informeerde voorts naar de verblijfplaats van de keurvorstin van Beieren, zodat ze van beschietingen kon gespaard worden.

In essentie stelden de Fransen een onuitvoerbaar ultimatum: de in Brussel aanwezige autoriteiten hadden geen zeggenschap over de Engelse vloot. De prins van Bergen vroeg 24 uren respijt om de brief te kunnen voorleggen aan de keurvorst, die uit Namen vertrokken was naar Brussel.Het ultimatum van Villeroy en het antwoord van Bergen zijn afgedrukt in: (red.) (1853), Compte rendu des séances de la Commission Royale d'Histoire ou recueil de ses bulletins, Tweede Reeks, Vol. 5, blz. 347-348. Hij wees Villeroy erop hoe onrechtvaardig het was om zich op Brussel te wreken voor acties van de Engelse koning, Willem III van Oranje. De Fransen gingen er niet op in en begonnen de beschieting. Villeroy berichtte aan Lodewijk XIV dat hij het niet nodig had gevonden om op het verzoek te antwoorden, omdat hij geen bevel had gekregen om in onderhandeling te treden met de prins van Oranje.

Beschieting en brand thumb|t Ghebombareert ent brandent Brusselen (G. Bouttats)

Iets vóór zeven uur 's avonds begonnen de Franse batterijen te vuren. Het droge en winderige weer was ideaal voor hun destructieve bedoelingen. Ze schoten gewone kanonskogels af maar ook gheloeyende koghels (vooraf in ovens verhit om bij inslag brand te veroorzaken) en bomben.Beschryvinghe der Franschen moet-wil gheschiet in het bombarderen, en verbranden der princelycke stadt Brusselen, op den 14 en 15 Augustus 1695, al waer door een al te groote barbarissche vreetheyd sijn verbrand en in 't asschen gheleyt over de 3830 huysen, en twelf capitaele kercken, met veel schoone princelijke ghebouwen. - gereproduceerd in Annales de l'Académie d'archéologie de Belgique (1848), Volume 12-13, blz. 113-118 (Antwerpen: J.E. Buschmann) Al snel werden de eerste huizen getroffen en ontstond een begin van brand. Het vuur verspreidde zich snel door de nauwe straatjes en houten constructies.

Op de westelijke muren waren drie verdedigingsbatterijen opgesteld. Ze probeerden het vuur te beantwoorden, maar kampten met een tekort aan kanonniers, kogels en kruit. Nochtans slaagden burgermilities erin om enkele Fransen te doden door stenen af te schieten. Het bracht echter geen respijt.

Tot op het laatste moment hadden de autoriteiten geloofd dat het ergste kon worden vermeden. Ze hadden de bevolking verzocht om thuis te blijven en waterketels klaar te zetten om vuurhaarden onmiddellijk te kunnen blussen. Al snel bleken deze maatregelen volstrekt ontoereikend. Paniek kreeg de bewoners in haar greep. Ze vluchtten naar de bovenstad, ten oosten van de Zenne. Vanaf het park aan het Koudenbergpaleis keek een machteloze massa toe hoe hun huizen in de vuurzee vergingen. Tegen middernacht was het hele stadshart aan de vlammen overgeleverd. Ook de stenen gebouwen werden zwaar beschadigd: het Stadhuis, het Broodhuis, het Vleeshuis, het Recolettenklooster, de Sint-Niklaaskerk met zijn imposante belfort. Maximiliaan was aan het hoofd van enkele manschappen uit Namen teruggekeerd en probeerde vruchteloos het vuur te bestrijden en de orde te handhaven.

In de nacht van de 13e kan Villeroy aan Lodewijk rapporteren:

In de ochtend van 14 augustus volgt een pauze om het geschut opnieuw te bevoorraden. In de stad loopt het gerucht dat andere wijken zullen worden aangevallen. In paniek brengen sommige inwoners hun bezittingen naar de reeds getroffen stadsdelen. Bij de herneming van het bombardement wordt een nog groter gebied bestookt. In het noorden komen nu ook de Muntwijk en het Dominicanenklooster onder vuur. Talrijke meubelen, kunstwerken en archieven die er waren ondergebracht, verdwijnen in het inferno. In het oosten vreest men voor de Collegiale van Sint-Michiel en Sint-Goedele en brengt men de kerkschatten ervan in veiligheid. Tegen de avond zijn de Putterij en de Magdalenakerk verzengd en worden ook het Sint-Janshospitaal en de Kapellekerk aangetast.

Als de zon opkomt op de morgen van 15 augustus, staat het hele stadscentrum nog altijd in vuur en vlam. Om de omringende zone te redden laat Maximiliaan huizen opblazen, onder groot protest van de eigenaars. Pas tegen de middag zwijgt het Franse geschut, na een bombardement van 48 uren.

Balans De bevolking heeft tijd gehad om naar het oosten te vluchten. Door de veilige zone daar zijn er weinig menselijke slachtoffers. Geen enkele bron geeft een precies aantal, mogelijk omdat de tol van de talrijke veldslagen uit die periode nog van een andere grootteorde is. Her en der worden wel individuele gevallen vermeld: een man gedood bij het eerste salvo, twee broeders verpletterd onder de ruïnes van hun klooster, vier zieken verkoold in het Sint-Niklaashospitaal. Er is sprake van inwoners die omkomen terwijl ze hun bezittingen in veiligheid proberen te brengen, van plunderaars die verrast worden door instortende gebouwen.

thumb|Zicht van de ruïnes van fontein den Spauwer en de stadswaag (A. Coppens)