miniatuur|Meisjes spelen het spel (1933) Witte zwanen, zwarte zwanen is een traditioneel kinderliedje uit het Nederlandse en Duitse taalgebied.
Bij het liedje hoort een rondedans of een poortspel, dat gebruikt kan worden om een groep kinderen in twee willekeurige groepen te verdelen. In Duitsland gaat het meestal om een aftelrijm. Vaak denkt men dat het het in het liedje om het land Engeland gaat, onderzoek heeft echter uitgewezen dat in werkelijkheid de hemel oftewel engelland bedoeld zal zijn.Cor Hendriks, 'Engeland en Engelland' (1) en (2), in: Rob Scholte Museum, 7 september 2017 en 11 september 2017
Oudste vindplaatsen van het liedje Een Hoogduitse versie van het aftelrijm werd voor het eerst afgedrukt in het derde deel van de liederenbundel van Achim von Arnim en Clemens Brentano, Des Knaben Wunderhorn uit 1808.Ludwig Achim von Arnim en Clemens Brentano, Des Knabens Wunderhorn: Alte deutsche Lieder, dl. 3, Heidelberg en Frankfurt 1808, Anhang, p. 90. Het liedje is in het hele Duitse taalgebied bekend, tot in het huidige Polen, Estland en Roemenië.Singer, 'England', in: Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens, dl. 2, 1929-1930, kol. 845. Er zijn minstens driehonderd varianten in verschillende dialecten gedocumenteerd, waaronder enkele versies in het Zwitserduits.Renate Sarr, Dokumentation Kinderlied. Erschließung der Liedmappen des Deutschen Volksliedarchivs im Zentrum für Populäre Kultur und Musik. Gruppe K XIV: Abzählreime, Einzelmappen. Findbuch, Freiburg 2014, hier K XIV 007 (Ahne, Krahne, wickele wahne, wollen wir nicht nach Engelland fahren?). Idem, (...) Abzählreime, Sammelmappen. Findbuch, Freiburg 2014. Ludwig Erk publiceerde in 1841 een dialectversie van een reidansliedje uit Barmen (Roergebied), met een begin ('Krone krane, schwickle schwane') dat sterk lijkt op de liedjes die in Nederland bekend zijn.Ludwig Erk, Neue Sammlung deutscher Volkslieder mit ihren eigenthümlichen Melodien, Afl. 2, Berlijn 1841, p. 61, nr. 42 ("Beim Ringeltanz zu singen"). Verwante kinderliedjes, die werden gezongen voor meikevers en lieveheersbeestjes, zijn ook bekend uit Vlaanderen en Frans-Vlaanderen.
Halverwege de negentiende eeuw zijn de oudste Nederlandse vermeldingen van dit liedje te vinden in het tijdschrift De Navorscher. In de rubriek Vraagtekens wordt vermeld dat de schooljeugd in Ede dit lied bij het spelen van een vorm van krijgertje zong, met als beginregels: 'Groene granen, Witte zwanen / Wie wil er meê naar Engeland varen'.De Navorscher 3 (1853), p.127.
In 1855 stuurde de letterkundige ds. Jan Christiaan Kobus (1793-1881) als reactie hierop een uitgebreidere versie van het lied in, zoals hij zich dat vermoedelijk uit zijn geboorteplaats Borculo herinnerde:De Navorscher 5 (1855), Bijblad, p. iv.
Kroene krane, Witte zwane. Wie wil meê naar Engeland varen? Engeland is gesloten De sleutel is gebroken In Engeland, daar stuift het zand Daar gaan de klokjes bingel-de-bang Bingel-de-bange de boeze. Achter onzen hoese'Hoeze' is Gelders voor 'huis'. Stond een grooten nooteboom enz.
Het oudste Nederlandse liedboekje waarin het liedje - volgens de Nederlandse Liederenbank van het Meertens Instituut - is afgedrukt, betreft Nederlandsche baker- en kinderrijmen, verzameld door Johannes van Vloten (1871; 4e druk 1894). Het liedboekje geeft drie varianten van het liedje: 'Kroene kranen, / Witte zwanen', 'Zwanen, witte zwanen, / Wie wil er meê naar Engeland varen?' en 'Groene granen, / Spitse spanen'. Als toelichting geeft Van Vloten 'poortspel' en 'danslied', bij achtereenvolgens de tweede en derde variant.Tekstnorm: Groene zwanen witte zwanen Wie gaat er mee naar Engeland, Nederlandse Liederenbank, Meertens Instituut.Nederlandsche baker- en kinderrijmen, J. van Vloten (p. 22), 4e druk (1894), op: www.dbnl.org. De tekst van 'Kroene kranen' in dit liedboekje uit 1894 komt vrijwel geheel overeen met de tekst in De Navorscher van 1855.
De Handschriftencollectie van G.J. Boekenoogen, verzameld in de periode 1891-1930, geeft 46 treffers van dit liedje. Slechts één variant begint met de woorden 'witte zwanen'. De eerste vindplaats van de beginzin 'Witte zwanen, zwarte zwanen' is de Handschriftencollectie volks- en kinderliederen van Nynke van Hichtum (verzameld in de periode 1904-1938). Zij geeft daarbij als herkomst Zuid-Holland aan.
Ouderdom liedje De oudste vindplaatsen voor het liedje gaan terug tot het begin van negentiende eeuw. Dat wil niet zeggen dat het liedje uit deze periode stamt. In de negentiende eeuw werden, onder invloed van de Romantiek, veel volksliedjes verzameld en uitgegeven. Het liedje kan echter veel ouder zijn en in de orale traditie lange tijd zijn doorgegeven, voordat het voor het eerst werd opgetekend. Men heeft wel gedacht dat het liedje verwees naar de Engelse Akte van Navigatie uit 1651. Een pamflet uit 1689 stelt echter dat het al sinds 1588 door de kinderen op straat werd gezongen als spotlied op de ondergang van de Spaanse Armada.
Heyn-vyver Pile-Palen, Wilje mee naar Engelandt varen, Engelandt is gesloten, De sleutel is gebroocken.Het liedtje van de Pile-Palen, z.pl. 1689. De uitdrukking pile(n)-pale komt tevens voor in een Duits aftelrijm (K XV 110).
Pile-palen is een Zuid-Nederlandse variant van het Franse woord pêle-mêle, dat 'kris-kras-dooreen' betekent, wellicht een verwijzing naar het kinderspel. Het verliezen van de sleutel verwijst mogelijk tevens naar de Franse verovering van Calais op de Engelsen in 1558. Dit district werd door de Engelse koningen als de sleutel tot het continent beschouwd. De variatie binnen de overgeleverde versjes is echter zo groot, dat we er vanuit moeten gaan dat het meestal om een vermenging van verschillende rijmpjes met een wisselende herkomst gaat. Zo keert de passage 'geen smid in 't land, die de sleutel maken kan' terug in algemeen bekende raadseltjes die betrekking hadden op gebroken eieren ('N.N. is gevallen; nu is er geen man die N.N. nog maken kan').
Enkele Noord-Duitse volksverhalen brengen het rijmpje tevens in verband met elfen, nachtmerries of heksen uit het Engelland, die via het sleutelgat in de huizen zouden komen. Nog in de zeventiende eeuw waren veel mensen ervan overtuigd dat dergelijke heksen op eierschalen (dan wel op bossen stro of melkzeven) over het water reisden. De witte zwanen komen slechts in één variant van het lied voor.
De letterkundige Gerrit Kalff (1856-1923) stelde al in 1883 dat de verwijzingen naar Engeland uit de middeleeuwen moet stammen, waarbij Engelland staat voor een sprookjeswereld of engelenland aan gene zijde, waar de zielen van de overleden zich na hun dood zouden ophouden.Gerrit Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, Leiden 1883. p. 492. Dit in navolging van een klassieke studie van de volkskundige Wilhelm Mannhardt uit 1858.Wilhelm Mannhardt, Germanische Mythen, Forschungen, Berlijn 1858, p. 321-524. Soortgelijke conclusies trokken de godsdienstwetenschapper Laurentius Knappert (1863-1943), in zijn dissertatie over de mythen rond Vrouw Holle uit 1887, en de bekende taalkundige Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1960) in een artikel over traditionele volksrijmpjes uit 1893.Laurentius Knappert, De beteekenis van de wetenschap van het Folklore voor de godsdienstgeschiedenis onderzocht en aan de Holda-mythen getoetst, Amsterdam 1887, p. 264 (transcriptie online). Gerrit Jacob Boekenoogen, Onze rijmen, Leiden 1893, p. 17-18 (eerder verschenen in: De Gids 1893). Boekenoogen noemde deze liedjes een 'overblijfselen der plechtige reidansen' die de Germanen ter ere van hun heidense goden hadden gehouden.Cor Hendriks, "Rijmen en Sprookjes". Een cultuurhistorische analyse van de collectie Boekenoogen in het archief van het Meertens Instituut, doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam, 2005, p. 16.
Daarentegen hield de bejaarde historicus Ludolf Sloet van Beele (1806-1890) vol dat het niet om het rijk der engelen, maar gewoon om Engeland ging.Ludolf A.J.W. Sloet van Beele, De dieren in het Germaansch volksgeloof en volksgebruik, Den Haag 1887, p. 113-122. Hij kreeg later bijval van de katholieke volkskundige Jos Schrijnen (1869-1938), die er in 1915 op wees dan Mannhardts opvattingen inmiddels wel erg gedateerd waren.Jos Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde, 1915, dl. 2, p. 215. Later waaide de wind weer uit een andere hoek. De volkskundige Tjaard W. de Haan stelde in 1976: "Wij zijn nu weer geneigd in te stemmen met Boekenoogen, mede op grond van het overvloedige (etnologische) materiaal". In sommige versjes zou de herinnering aan een overzees dodenrijk tot in onze dagen min of meer versluierd voortleven. In Groningen en Friesland, zo voegde hij eraan toe, "denkt men zich het dodenland vooral in noordelijke richting".Tjaard W. de Haan, Nederlandse volksverhalen: herkomst en geschiedenis, 1976, p. 157.
Hedendaagse volkskundigen en historici zijn doorgaans wat voorzichtiger. Het thema van de otherworld (gene zijde) als onderdeel van de middeleeuwse en vroegmoderne fantasiewereld kan echter wel op toenemende belangstelling rekenen.
Liedtekst Volksliedjes kennen, door hun mondelinge overlevering, vaak vele (regionale) varianten in zowel tekst als melodie. De meest gebruikelijke tekst van het liedje gaat als volgt:
Witte zwanen, zwarte zwanen wie gaat er mee naar Engeland varen? Engeland is gesloten de sleutel is gebroken. Is er dan geen smid in 't land die de sleutel maken kan? Laat doorgaan laat doorgaan wie achter is moet voorgaan!
Varianten Zoals gebruikelijk bij traditionele liedjes bestaan (of bestonden) er ook van dit liedje tientallen (regionale) varianten in tekst en melodie. Dat geldt alleen al voor de beginregel:
Witte zwanen, zwarte zwanen (West-Nederland en Groningen) Groene zwanen, witte zwanen (Noord-Holland en Friesland) Kroene kranen, witte zwanen (Oost-Nederland) Rode zwaan, witte zwaan (Dokkum) Groene kralen, witte kralen (Nootdorp)
Een 'kroenekraan' is een oude benaming voor de kraanvogel in het oosten en zuiden van het Nederland; groene 'kralen' zijn daar weer een verbastering van.Woordenboek der Nederlandsche Taal, onder lemma 'Kroenekraan' Soms eindigt het liedje ook anders, bijvoorbeeld met de zin: "... de laatste zullen we vangen".
Lied in andere talen Net als in Nederland wordt ook in het Duitse taalgebied 'Engeland' het land genoemd dat 'gesloten' is; in het gebied van de Nederrijn wordt geregeld 'Holland', soms ook 'Brabant' genoemd, in Oost-Duitsland ook wel 'Pommerland'. In Zwitserland verwijst men een enkele keer naar 'Ierland'; in Oostenrijk en zijn buurgebieden gebeurde dat soms naar 'Hongarije'.Johannes van Vloten, Johannes van Vloten, Nederlandsche baker- en kinderrijmen, 3e druk, 1874, p. 28. Het gaat in de laatste gevallen echter om rijmpjes van een afwijkend type.
Een Hoogduitse versie werd in 1808 gepubliceerd door Clemens Brentano en Achim von Arnim:
Ahne, Krahne, wickele wahne, Wollen wir nit nach England fahren? England ist verschlossen, Schlösser sind verrostet, Schlüssel sind verloren, Müssen wir ein Loch 'nein bohren, Sind wir 'nein gekrochen, Haben die Töpf verbrochen, Wenn der Kessel Tief ist, Wenn die Milch süß ist, Wenn die Puppen tanzen, Wollen wir Lanzen pflanzen.Ludwig Achim von Arnim en Clemens Brentano, Des Knaben Wunderhorn, dl. 3, Heidelberg en Frankfurt 1808, Anhang, p. 90 ("Abzählen, der die letzte Silbe trifft, muß nachlaufen").
Daarnaast zijn enkele regels terug te vinden in een Nederduitse variant van het aftelliedje 'Iene miene mutte', gepubliceerd in 1807 door Friedrich von der Hagen (1780-1856), die het zich herinnerde uit zijn jeugd in de Uckermark (Brandenburg):
(...) Kumm will'n beid' nå England gåhn. Engeland is togeschlåten, Schlötel is intwei gebråken (...)Johann-Gustav Büsching & Friedrich Heinrich von der Hagen, Sammlung deutscher Volkslieder mit einem Anhange flammländischer und französischer, nebst Melodien, Berlijn 1807, p. 281, 417 (nr. 115).