De Davidstraatbuurt, vroeger ook wel Davidstraatkwartier of Davidstraatwijk genoemd, is een subbuurt van de Rivierenbuurt in de Nederlandse stad Groningen. Tot 2014 werd de Davidstraatbuurt door de gemeente gerekend tot de Herewegbuurt.

Geografie De Davidstraatbuurt omvat de huizenblokken ten zuidoosten van het Station Groningen. De buurt wordt aan noordzijde begrensd door het spoor, aan oostzijde door de Hereweg en aan westzijde door de Achterweg. De zuidgrens hangt af van welke definitie wordt gehanteerd: In nauwe zin omvat het de buurt ten noorden van de Rabenhauptstraat (het noordelijke deel). Deze buurt vormt een voormalige volksbuurt. In de jaren 1970 wisten bewoners met hulp van studenten door middel van burgerparticipatie met succes plannen van de gemeente Groningen om er een kantorenlocatie van te maken te dwarsbomen. Hierdoor is het altijd een woonbuurt gebleven. In brede zin omvat het ook de straten tussen de Rabenhauptstraat en de Barestraat (het zuidelijke deel). Deze straten zijn in dezelfde tijd ontstaan. De Davidstraatbuurt is het oudste deel van de Rivierenbuurt. De huidige stratenuitleg dateert grotendeels uit het einde van de 19e eeuw. De Achterweg is in de jaren 1970 verlegd naar het westen voor het toenmalige Expeditiecentrum van de PTT. De oude Achterweg is sindsdien een looproute naar het station. Een voorstel in 1981 om de huidige Achterweg 'Nieuwe Achterweg' te noemen, haalde het niet.

Geschiedenis thumb|180px|De Davidstraat gezien vanaf het Herewegviaduct. De smalle toegang herinnert nog aan de vroegere Davidstraatsteeg.

Naam De buurt is vernoemd naar de Davidstraat. Deze benaming heeft mogelijk te maken met de strijd die zich rond deze straat ontspon in de jaren 1970. De Davidstraat zelf ontleent haar naam aan herberg de David, die zich in de 17e eeuw op de zuidelijke hoek van de Davidstraat met de Hereweg bevond en een van de geprivilegieerde herbergen van de raad buiten de stadspoort was. In 1676, kort na het Gronings Ontzet, is sprake van het huis "daer de David uythanght, met hoff, stallingen, closbanen, putte, plaets en de priëlen daarachter" genoemd bij een verkoping. Nadat begin 18e eeuw aan overzijde van de weg herberg 'Nieuwe David' werd geopend, werd de herberg ook wel 'de Oude David' genoemd. In 1775 lijkt de herberg te zijn hernoemd tot 'het Wapen van Stad en Lande'. In september 1943 werd de straat door NSB-burgemeester Tammens wegens de 'joodse naam' na te rade zijn gegaan bij de nationaalsocialistische wetenschapper Kapteyn van het blad Saxo-Frisia hernoemd tot Barthold Entensstraat. In oktober 1945 werden de oude straatnamen 'met terugwerkende kracht tot aan de bevrijding' in ere hersteld door burgemeester Cort van der Linden.

Ontstaan Het gebied waar nu de Davidstraatbuurt ligt vormde vroeger onderdeel van de stadstafel van Groningen; de strook van land rondom de stadswallen van Groningen. In de 18e eeuw waren op deze plek veel moeskers gevestigd. In een Frans document uit 1808 wordt het gebied aan zuidzijde van de stadswallen 'le Potager de Groningue' ("de moestuin van Groningen") genoemdSchroor, M. (2018), "Statistique de Groningue: Het departement Groningen ten tijde van het Koninkrijk Holland", Stad en Lande 2018 nr. 3. pp. 30-35. Hier p. 33. In de loop van de 19e eeuw kwamen er steeds meer huizen te staan en ontstonden er langzamerhand ook enkele wegen. Op de kadastrale minuut van rond 1820 zijn de Baresteeg, Davidsteeg, Aduardersteeg en (de oude) Achterweg al zichtbaar.

Huizenbouw De belangrijkste ontwikkeling van de buurt vond plaats in de tweede helft van de 19e en het begin van de 20e eeuw. In 1859, toen de wijken van de gemeente Groningen nog met letters werden aangeduid, heette de Davidstraatbuurt 'wijk Z'. De buurt bestond toen uit de Hereweg, Baresteeg, Davidsteeg, Driehovensteeg, 'Aan de Weg langs ‘t land' (Achterweg) en Kleine Steeg (Aduardersteeg). In 1860 stonden er ruim 180 woningen. Na de aanleg van het spoorwegemplacement in 1864 kwamen er veel spoorwegarbeiders in de buurt wonen, hetgeen nog werd versterkt na de aanleg van een spoorhaven bij het emplacement.Deze haven lag ter hoogte van de huidige busbaan. De haven diende waarschijnlijk voor het lossen van kolen voor de stoomtreinen en stond in verbinding met het Noord-Willemskanaal. In 1927 werd de spoorweghaven gedempt. In de jaren 1860 werd er mede daardoor veel gebouwd aan de Achterweg, de Baresteeg en Davidsteeg, waardoor het aantal huizen toenam tot ruim 250 in 1872.Broekema (p. 1, 3)

Rond die tijd begon ook de periode van de revolutiebouw, waarbij vanaf 1872 veel huizen door particulieren werden gebouwd voor arbeiders. Veel van deze huizen waren van slechte kwaliteit. Aan de stegen verrezen vooral eenkamerwoningen. Het was een slechte buurt met veel schrijnende toestanden.Broekema, p. 113

Nadat in 1874 de Vestingwet was aangenomen, begon de gemeente Groningen met het maken van nieuwe plannen voor stadsuitleg. In de Davidstraatbuurt leidde dit hetzelfde jaar nog tot de start van de aanleg van de Rabenhauptstraat en de Coehoornstraat. Langs de Rabenhauptstraat werden betere woningen gebouwd. Daarop volgde een snelle groei van het aantal woningen langs deze straten, met name in 1875 en 1876. Ook langs de bestaande straten vond toen verdichting plaats. In 1880 werd de Hovenstraat voltooidBroekema, pp. 6-7, 94-96 Een groot deel van de bewoners van de buurt bestond in deze periode uit arbeiders en ambachtslieden. Vanaf 1870 vestigden zich steeds meer spoorwerkers in de buurt.Broekema, pp. 71-72 In de jaren 1880 en 1890 werd veel minder gebouwd. Er verrezen toen met name woningen langs de Achterweg. In 1886 werd voor het eerst ook gebouwd door een woningbouwvereniging. Bouwvereniging Werkmanslust bouwde toen 18 woningen aan de Achterweg en Driehovensteeg voor de ietwat gegoede arbeiders.Broekema, p. 10 Het inwonertal steeg van 246 in 1860 naar 665 in 1880, 976 in 1900 en 1089 in 1910, terwijl het aantal huizen steeg van 62 naar 239.Broekema, p. 16 De Rabenhauptstraat groeide in de loop der tijd uit tot de winkelstraat van de buurt.

Gemeentelijk beleid thumb|Uitwerking van het Plan van Uitleg met de reeds gebouwde woningen van de Davidstraatbuurt en de geplande woonbuurten. Bij het station is nog de oude spoorhaven zichtbaar. thumb|left|Rond 1927: De Driehovenplaats was een doodlopende steeg aan oostzijde van de latere Hovenstraat, die begin jaren 1960 gesloopt werd. Plekken als deze waren een door in het oog van het stadsbestuur

Aanvankelijk leek de gemeente weinig aandacht voor de buurt te hebben.De buurt bestond deels al voor de Vestingwet en lag buiten de stadswallen. Mogelijk is er daardoor minder aandacht van het stadsbestuur geweest voor de wijk. In het boek 'Groningen in zijn heden en verleden' van Suringa uit 1899 worden uit de buurt enkel de Coehoornstraat en de Rabenhaubtstraat genoemd (Broekema, p. 91). In de loop der tijd begon de gemeente zich echter steeds meer met de buurt te bemoeien, met name op het gebied van stratenaanleg, woningbouw en volksgezondheid. Dit had echter weinig effect op de buurt omdat de meeste straten al in 1880 tot stand waren gekomen en de meeste huizen al gebouwd waren toen het toezicht op de woningbouw langzamerhand werd versterkt en werd aangescherptBroekema, p. 90 In de periode daarna werd door de gemeente echter wel steeds meer eisen te stellen aan nieuwe bouwaanvragen. Zo werden aanvragen waarbij doodlopende stegen of woningen op achtererven werden gecreëerd afgewezen, omdat deze het ontstaan van nog meer sloppenwijken wilde voorkomen.Broekema, pp. 7-9

Met name de aanwezige krotten in de Davidsteeg waren de gemeente een doorn in het oog.Uit rapporten van een onderzoekscommissie kwamen schrijnende toestanden naar voren. Voorbeelden waren woningen zonder afwatering, waarbij de vloer onder het straatniveau lag; kamers met een te klein vloeroppervlak; en woningen met veel te kleine ramen (40 cm²) waardoor te weinig licht en lucht kon binnenkomen. Een woning werd in 1894 beschreven als een ‘donker vunzig hok’. Van een krot aan de Barestraat verklaarde de eigenaar in 1898 zelf geen bezwaar te hebben tegen onbewoonbaarverklaring daar volgens hem 'in Drenthe zelfs zwijnehokken bekend waren, die in vele opzichten beter geschikt voor bewoning zijn'. Een woning aan de Davidsteeg met slechts 8 m² vloeroppervlak en een hoogte van nog geen twee meter werd in 1901 meer geschikt geacht als steenkolenbergplaats. De schoorsteenrook moest door de ramen en deur naar buiten en de weinige ramen leidden tot een 'Egyptische duisternis' (Broekema, pp. 14-15).

Bij het onderzoek werden ook foto's gemaakt, zoals deze, deze en deze. In 1892 werd een begin gemaakt met de sloop van de eerste (onbewoonbaar verklaarde) krotten in de Davidsteeg, om er betere woningen voor terug te kunnen bouwen. De dreiging van een cholera-epidemie in 1892-1893 leidde ertoe dat de gemeente in de Davidstraatbuurt 20 behuizingen onbewoonbaar verklaarde en in 1906 werden in deze straat nog eens 23 woningen onbewoonbaar verklaard.Respectievelijk kwam dit neer op ongeveer een derde en twee derde van alle onbewoonbaarheidsverklaringen in de stad in die jaren. (Broekema, pp. 13-14).

In 1903 werd het gebied als uitbreidingswijk opgenomen in het (in 1906 goedgekeurde) Plan van Uitleg van Mulock Houwer. Tijdens de daaropvolgende tweede bouwperiode tussen 1905 en 1910, werden aan de Davidsteeg 68 nieuwe huizen (waarvan 6 van de bouwvereniging) gebouwd ter vervanging van deze huizen. Ook in andere straten (zoals de Baresteeg) werden in deze periode veel krotten gesloopt en nieuwe huizen gebouwd. Bij dit proces werden veel eenkamerwoningen vervangen door huizen met meer kamers.Broekema, p. 11

Van stegen naar straten In 1879 drongen een aantal woningeigenaren uit de Baresteeg er bij de gemeente op aan om de straatnaam te wijzigen omdat de aanduiding 'steeg' door nieuwbouw en verbeterde bestrating in de straat steeds minder van toepassing zou zijn geworden. Belangrijker was echter dat stegen een slechte naam hadden en men hoopte dan ook dat de woningen door een naamsverandering beter konden worden verhuurd. De gemeente reageerde echter afwijzend. In 1890 werd een tweede poging gedaan met nieuwe naamvoorstellen, waarbij nu werd verwezen naar het negatieve effect dat de naam zou hebben op de waarde van de percelen en de bereidheid van huurders om er te gaan wonen.In 1879 wilde men de straat hernoemen naar Tuinstraat onder verwijzing naar de vele tuinen en enkele woonachtige tuinders in de steeg. In 1890 werden de namen Kleine Coehoornstraat, Zuidertuinstraat, Viaductstraat en Bloemstraat aangedragen. Dit voorstel werd wederom afgewezen, maar een jaar later besloot het stadsbestuur om de naam dan toch maar te wijzigen naar Barestraat. In 1894 werd de bestaande slechte keienbestrating in de Barestraat en Davidsteeg voorzien van klinkerbestrating. In 1906 werd een voorstel voor de naamswijziging van de in de jaren daarvoor verbeterde Davidsteeg naar de 'Davidstraat' daarop wel meteen aangenomen door de gemeente.Broekema, pp. 96, 100-101, 103 De Aduardersteeg werd pas in 1950 hernoemd tot de Aduarderstraat.

thumb|De brede toegang naar de Geulstraat vanaf de Vechtstraat. Het achterste gedeelte is de voormalige Coehoornstraat.

In 1916 werd begonnen met het verbreden en verbeteren van de Barestraat, die eind jaren 1920 werd voltooid.Broekema, p. 108 De Davidstraat, die oorspronkelijk aan oostzijde maar 2,5 meter breed wasRunhaar, p. 11, was toen al grotendeels op de gewenste breedte van 8 meter gebracht. Voor de verbetering van de wegen en de afwatering was de gemeente afhankelijk van de medewerking van de eigenaren, die lang niet altijd bereid waren tot medewerking. Daardoor duurde het soms jaren tot er kon worden overgegaan tot aanpassingen hieraan. De Coehoornstraat werd in 1955 tussen de Rabenhauptstraat en de Barestraat doorgetrokken naar de Vechtstraat, waarbij de naam werd gewijzigd naar Geulstraat.

Opname in de Rivierenbuurt