De Beyart is een kloostercomplex in de Nederlandse stad Maastricht, dat twee perioden van bloei heeft gekend: de eerste Beyart, ook wel Dal van Josaphat genoemd (1476-1796), en de tweede of nieuwe Beyart, dat officieel Klooster van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria heet (1896-nu).
De eerste periode begon met de vestiging van zusters franciscanessen van Peer. Uit deze periode is slechts een ruïne van de gotische kloosterkapel bewaard gebleven.
Een eeuw na de opheffing van dit zusterklooster bouwden de broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria ("broeders van Maastricht") op hetzelfde terrein een nieuw, deels nog bestaand klooster, dat tevens als moederhuis van de congregatie fungeerde. Vanaf de jaren 1970 transformeerde dit klooster geleidelijk tot bejaardenverzorgingshuis, ook voor niet-religieuzen.
Op het kloosterterrein bevindt zich tevens het Sint-Lidwinapaviljoen, een in de jaren 1930 door Alphons Boosten gebouwd voormalig ziekenpaviljoen. Laatstgenoemd bouwwerk en de ruïne van de eerste kloosterkapel zijn rijksmonumenten, terwijl het (tweede) kloostergebouw, het poortgebouw en de kloostertuin gemeentelijke monumenten zijn.Zie plattegrond van Maastricht met rijks- en gemeentemonumenten op flexinext.maastricht.nl.
Geschiedenis Herkomst naam De herkomst van de naam Beyart is niet duidelijk. Wellicht lag hier een passantenhuis voor vreemdelingen, in de middeleeuwen aangeduid als 'baaierd', 'beiaard', 'beyart' of 'beyert'. In een dergelijke logiesgelegenheid kregen pelgrims en andere reizigers voor een nacht gratis eten en slaapgelegenheid. Aan de Brusselsestraat buiten de Tweebergenpoort lag zo'n baaierd.Ubachs/Evers (2005), pp. 59-60: 'beiaard'; p. 71: 'Beyart, De'.
De naam is mogelijk ook afkomstig van magister Johan Bayart de Gandavo, kanunnik van het Sint-Servaaskapittel en scholaster van de kapittelschool van Sint-Servaas. Deze kocht in 1316 een huis met tuin aan de Brusselsestraat. Na zijn dood in 1324 werd het huis bestemd voor noodlijdende geestelijken, hetgeen Bayart testamentair verordend had.Ubachs/Evers (2005), p. 53: 'Bayart de Gandavo, Johan'; p. 71: 'Beyart, De'.
Stichting eerste Beyart (1476-1510)
In 1476 vestigden zeven tertiarissen van het franciscanessenklooster uit Peer (tussen Maastricht en Eindhoven, thans in Belgisch Limburg) zich in Maastricht, waar hun biechtvader Gerard de (dye) Bruin het huis De Beyart aan de Brusselsestraat beschikbaar stelde. Of de zusters een conflict hadden met het moederklooster is niet duidelijk, maar ze verbraken wel al vrij snel de banden met het klooster in Peer. In 1485 en 1490 bevestigde de bisschop van Luik, Johan van Horne, de zelfstandigheid van het nieuwe klooster. Waarschijnlijk werd kort daarna begonnen met de bouw van de kloosterkerk. De Bruin overleed begin 1510 en werd in het koor van de kloosterkerk begraven. Enkele maanden later, op 8 september 1510, werd de kerk plechtig ingewijd door de Luikse bisschop Everhard van der Marck.Ubachs (1981), p. 11.
Bloeiperiode eerste Beyart (1510-1794) Over het klooster is vrij weinig bekend, omdat het kloosterarchief in 1794 verloren is gegaan. De zusters van Josaphatsdal kwamen uit de gegoede kringen van Maastricht en omgeving. Waarschijnlijk hielden zij zich naast hun geestelijke verplichtingen bezig met het weven van linnen. Aan het hoofd van de gemeenschap van 10 tot 20 zusters stond een priorin of overste en er was een pater voor het opdragen van de mis. Het klooster bezat diverse landerijen in de omgeving van Maastricht. In 1794-'95 bedroeg de pachtopbrengst daarvan 12.205 gulden.Ubachs (1981), p. 16. De proost van het Sint-Servaaskapittel bezat het patronaatsrecht. De pastoor van de Sint-Janskerk bezat eveneens bepaalde rechten en ontving jaarlijks een vat graan en met Kerstmis vier ongeplukte kapoenen. Bij begrafenissen in de kloosterkapel ontving hij bovendien twee vaten rogge en een derde van de collecteopbrengst.
In het roerige jaar 1539Zie Geschiedenis van Maastricht#Trichter Oploop (1539) en Beeldenstorm (1566). werden de welgestelde zusters belaagd door 50 tot 100 Maastrichtenaren onder aanvoering van ene Gabriël de Schoenmaker. De meute eiste dat ze in het klooster rijkelijk onthaald werd. In 1632 ontstond een ernstig conflict tussen priorin Anne de Longeval en proost Nicolaas de Micault, toen deze laatste meer invloed in het klooster wenste. De priorin beriep zich op de landsregering in Brussel, maar de proost legde zich daar niet bij neer. Een poging om de priorin te laten arresteren in haar eigen klooster mislukte jammerlijk en enige maanden later was de situatie door het Beleg van Maastricht (1632) en de machtsovername door de Republiek totaal anders geworden.Ubachs (1981), p. 10. Het dicht bij de westelijke stadsmuur gelegen klooster had veel te lijden van belegeringen, met name in 1579, 1632 en 1794. Tijdens het beleg van 1794 werd het klooster dusdanig vernield dat de 15 koorzusters en vier werkzusters gedwongen waren hun intrek te nemen in een aantal huizen aan de Brusselsestraat.
Priorinnen eerste Beyart De priorin of overste had de leiding over het klooster, onder het geestelijk toezicht van een rector en op zakelijk gebied bijgestaan door een procuratrix en/of rentmeester. De priorin, de rector en de procuratrix werden aangesteld door de proost van het Sint-Servaaskapittel. 1479, 1488 Johanna van Cortryck (eerste priorin)Doppler (1894), p. 61. 1527 Maria Gulckers (procuratrix: Elisabeth van den Dael) 1610-1624, 1632? Anne de LongevalDoppler (1894), p. 62. 1630 Mechtild van Stockhem 1630 Catharina Bleus (subpriorin; procuratrix: Maria Wasouls) 1642: Anna de Mollets (subpriorin: Margareta Goeswyns) 1681? Maria van Stockhem (procuratrix: Johanna d'Hallembaye) ?-1694 Maria Susanna de Rosen 1708 Maria Anna Du Chasteau (procuratrix: Joanna Francisca de Hallembaye) (1929): 'Namen van geestelijke en wereldlijke waardigheidsbekleeders in Limburg', in: De Maasgouw, jrg. 49 (1929), nr. 2, p. 19 (online tekst op Delpher). ?-1766? Maria Johanna Fosseroul (1681-1766) ?-1771? Anna Maria Joseph BernardDoppler (1894), p. 65. ?-1780 Maria Gertrudis de ManyDoppler (1894), pp. 65-66. 1796 Francisca Neven (laatste priorin; procuratrix: Catharina Frijns) Als rector (confessor, biechtvader) van het Beyartklooster worden vermeld: Gerard de Bruin (1482), Dirrik Pypers (1510-1516), Sibertus van der Hoeven van Randenraede (1521-1539), Johan Jacobs (1549) en Peter Wolteren (1583). Daarnaast worden enkele rentmeesters genoemd: Aert van der Locht (1522), Heyliger van Vucht (1524), Johan Pellens (1540) en Jan Havelange (1726).Doppler (1894), p. 66.
Opheffing eerste Beyart, verval en sloop (1794-1894) thumb|Het Beyartterrein tussen 1890 en 1894 Op 4 november 1794 werd Maastricht, na een belegering waarbij het kloostercomplex De Beyart door bombardementen zwaar werd beschadigd, ingenomen door de troepen van de Franse Nationale Conventie. In 1796 werden alle geestelijke instellingen door de Franse revolutionairen opgeheven. Op 5 december van dat jaar werd de gemeenschap der franciscanessen van het Dal van Josaphat ontbonden en kwam er een (voorlopig) einde aan ruim drie eeuwen geestelijk leven in De Beyart. De gemeenschap telde bij de opheffing vijftien koorzusters en vier werkzusters.
Het kloosterterrein werd door de Franse staat genationaliseerd en in 1797 geveild, maar werd door Anna Catharina Bertrand, ex-kloosterzuster van Peer, teruggekocht voor 28.000 livres, betaald in assignaten. Onduidelijk is of zij plannen had om het klooster nieuw leven in te blazen. In 1827 waren er nog vier zusters in leven, maar deze woonden niet meer gezamenlijk. Op de interactieve kadasterkaart van 1842 is te zien dat het kloosterterrein toen in bezit was van de koopman Jan Andries van Melsen, wonende in de Grote Staat.Zie interactieve kaart Maastricht op hisgis.nl. Selecteer bij kaartlagen: 'Kadaster 1842 percelen (rood, open)', 'Kadaster 1842 gebouwen (naar soort)' en 'Luchtfoto'. Waarschijnlijk werden de gebouwen verhuurd aan een landbouwer. Op oude foto's is te zien dat er een bijgebouw in de kapelruïne was gebouwd, waar tevens het hooi hoog opgetast lag.Zie o.a. deze en deze foto op Wikimedia Commons. Het terrein kwam later in bezit van het Burgerlijk Armbestuur, dat het in 1893 verkocht aan de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Tweede Beyart (1894-nu)
De congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria (FIC) was in 1840 in Maastricht opgericht door Louis Hubert Rutten. Het moederhuis van de congregatie was ruim een halve eeuw gevestigd geweest in panden in de Bogaardenstraat en Capucijnengang, maar deze waren door de snelle groei – circa 200 leden omstreeks 1890 – te klein geworden. In juni 1893 kocht de congregatie het drie hectare grote terrein van de Beyart voor 110.000 gulden, met het doel daar een nieuw, groot moederhuis te bouwen.Ubachs (1981), pp. 17-19.
thumb|left|250px|Twee poserende heren, waarschijnlijk de architect L. Faber en de bouwheer broeder Ildefonsus Stans, bij de te slopen gebouwen van de oude Beyart (1893) Vanaf 1894 verrees op initiatief van overste broeder Ildefonsus Stans op het terrein aan de Brusselsestraat het nieuwe klooster van de broeders van de Onbevlekte Ontvangenis, de tweede of nieuwe Beyart. De nog deels intact zijnde kloostervleugels van de oude Beyart werden daarvoor gesloopt; slechts een muurdeel van de ruïneuze kloosterkapel bleef gehandhaafd. Architect van de nieuwe Beyart was ir. Lambertus Faber (1855-1939). Het ontwerp was een volumineus, trapeziumvormig gebouw met daaraan vastgeplakt in de vorm van een E drie vleugels, waarvan de neogotische kloosterkapel het hart vormde. Aannemer was J. Limpens uit Maastricht, die het klooster voor ƒ 239.000 bouwde. De eerstesteenlegging vond plaats op 10 oktober 1894. Het betrof een van de grootste bouwprojecten uit die tijd voor Maastricht. In 15 maanden tijd werden 1.650.000 bakstenen verwerkt. De oplevering had moeten plaatsvinden in mei 1896, maar het gebouw was bij lange na niet klaar. Aannemer Limpens ging in 1897 failliet, waarop aannemer Schenk het werk voltooide. Het klooster was vanaf oktober 1896 al deels bewoond. De inzegening door deken H. Sevriens van de Sint-Servaaskerk vond plaats op 21 november van dat jaar.Ubachs (1981), pp. 19-25.
In de loop der jaren verrezen er op het kloosterterrein en in de directe omgeving diverse andere gebouwen. In 1903 werd aan de noordzijde van het terrein (Hoogfrankrijk 27) een jongensschool voor minderbedeelden gebouwd, de Sint-Vincentiusschool, ook wel 'klompenschool' genoemd. Aan de zuidzijde verrezen eveneens twee jongensscholen: in 1912 de Sint-Josephschool, ook een armenschool (achter Brusselsestraat 10) en in 1916 de Sint-Aloysiusschool voor jongens uit de 'betere stand' (achter Brusselsestraat 46). In 1937 verhuisde de blo-school, eveneens een broederschool, van de Bogaardenstraat naar de Herbenusschool, grenzend aan het terrein van De Beyart. In de tuin van het klooster bouwde Alphons Boosten in dat jaar een ziekenpaviljoen met een lighal voor tbc-patiënten.
In 1940 verwierven de broeders van de Beyart het naastgelegen Cellebroedersklooster met tuin. Wegens bouwvalligheid werden drie van de vier kloostervleugels nog in hetzelfde jaar afgebroken. In 1954 verdween ook de zuidvleugel. Het vrijgekomen terrein werd merendeels betrokken bij de tuin.Ubachs (1980), p. 17.
Op 17 september 1944, drie dagen na de bevrijding van Maastricht, werd de zuidvleugel (de 'voorbouw') van het Beyartklooster verwoest door een Duitse vliegtuigbom. Deze vleugel werd in 1952 herbouwd naar een sterk vereenvoudigd ontwerp van Boosten, nadat een eerder ontwerp door geldgebrek onuitgevoerd was gebleven.Ubachs (1981), p. 35. In 1980 is de neogotische kapel afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe vleugel ten behoeve van het bejaardenverzorgingshuis.Ubachs/Evers (2005), p. 71: 'Beyart, De'.