Anzu wyliei is een theropode dinosauriër, behorende tot de Maniraptora, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Op het eind van de twintigste eeuw werden in Noord-Amerika voor het eerst vrij complete fossielen gevonden van caenagnathide Oviraptorosauria. In het begin werden die toegewezen aan al benoemde soorten maar later werd duidelijk dat het om een nog onbekende soort ging. In 2014 kreeg deze de naam Anzu wyliei. De fossielen vertegenwoordigen een belangrijk deel van het skelet zodat de wetenschappers een goed beeld kregen van de bouw van het dier.

Anzu werd ruim drie meter lang bij een gewicht van tegen de driehonderd kilogram en was daarmee nogal groot voor een oviraptorosauriër. Het dier leek erg op een vogel. Het had een verenkleed, een korte tandeloze kop met een snavel en kam, lange armen met vleugels en een korte staart met een veerwaaier. De achterpoten waren lang.

Anzu was vermoedelijk een planteneter. Hij leefde in natte bossen waar hij met zijn schoffelvormige ondersnavel wortels of knollen uit de grond schepte die met een uitstulpende beweging van de onderkaken afgebeten en verwerkt werden. Met zijn lange achterpoten kon Anzu vluchten voor Tyrannosaurus rex, de voornaamste jager in zijn leefgebied.

Vondst en naamgeving In 1998 vonden Fred Nuss, de eigenaar van de Nuss Fossils fossielenhandel, en zijn medewerker Robert Detrich twee skeletten van grote oviraptorosauriërs bij Buffalo in Harding County, South Dakota. Die lieten ze prepareren door Michael Triebold van Triebold Paleontology. Modellen van deze giant oviraptors werden door Triebold tentoongesteld. De skeletten werden eerst toegewezen aan een Chirostenotes sp. of aan een Caenagnathus sp., maar veel onderzoekers meenden dat het om een taxon moest gaan dat een eigen naam waardig was. left|thumb|De demon Anzû wordt achtervolgd door de god Enlil In 2014 werd de typesoort Anzu wyliei benoemd en beschreven door Matthew Lamanna, Hans-Dieter Sues, Emma Schachner, en Tyler Lyson. De geslachtsnaam is afgeleid van Anzû, een gevleugelde demon ofwel utukku, in de vorm van een adelaar met de kop van een leeuw, uit de mythologie van de Soemeriërs, gezien de opvallende verschijning van het dier. De soortaanduiding eert Wylie J. Tuttle, de kleinzoon van het echtpaar Lee B. Foster, sponsors van het Carnegie Museum of Natural History.

Het holotype, CM 78000, is gevonden in een laag van de Hell Creek Formation, die dateert uit het late Maastrichtien. Het betreft een van de door Nuss gevonden skeletten. Bewaard zijn gebleven: fragmenten van de praemaxilla, een stuk hersenpan, de quadrata en de pterygoïden, verdere schedelfragmenten, de volledige onderkaken, verschillende halswervels en staartwervels, nekribben, ribben, buikribben, chevrons, de schoudergordel, het rechteropperarmbeen, de linkeronderarm, een tweede linkermiddenhandsbeen, vingerkootjes waaronder handklauwen, en beide achterpoten met uitzondering van de centrale middenvoetsbeenderen en van sommige teenkootjes. De botten lagen niet in verband maar zijn wel bij elkaar aangetroffen. Gezien de formatie en het vogelachtige uiterlijk van het dier kreeg het in de Verenigde Staten de bijnaam Chicken from Hell.

Aan de soort zijn verschillende andere specimina toegewezen. Het gaat in de eerste plaats om specimen CM 78001, het tweede door Nuss gevonden skelet dat op een honderdtal meters van het holotype werd aangetroffen. Dit is zelfs iets completer dan het holotype en vult dit aan met de middendelen van de schedel, alle halswervels en ruggenwervels, het heiligbeen en het bekken. Een derde specimen is MRF 319, door Scott Haire op de boerderij van zijn oom te Marmarth gevonden in Slope County, North Dakota, een zeer fragmentarisch skelet bestaande uit drie halswervels, een rib, en een linkerschoudergordel en onderarm. Een vierde specimen is FMNH PR 2296, uit Harding County, bestaande uit het achterdeel van een linkeronderkaak.

Beschrijving Grootte Anzu is een relatief groot dier. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lengte op vier meter, het gewicht op driehonderdvijftig kilogram. De beschrijvers gingen in 2014 uit van een wat geringer formaat met drie tot drieënhalve meter lichaamslengte, een heuphoogte van anderhalve meter en een gewicht van tweehonderd à driehonderd kilogram. Het proportioneel wat hogere gewicht ten opzichte van de eerdere schatting, komt voort uit het toepassen van gewichtsbepalingen die gebaseerd zijn op de dijbeenomtrek, die geijkt werden door vergelijking met moderne zoogdieren, welke een wat zwaardere bouw hebben dan de tamelijk rank geconstrueerde maniraptore dinosauriërs. In 2021 kwam een volumeschatting uit op 216 tot 280 kilogram; werd het gewicht bepaald door digitaal de minimale inhoud te berekenen waar het skelet nog in past dan lag het gewicht tussen de 159 en 199 kilogram. De volumeschatting werd het meest plausibel geacht.

Onderscheidende kenmerken thumb|350px|Tekeningen van de skeletelementen van CM 78000 en CM 78001 De beschrijvers wisten verschillende onderscheidende kenmerken vast te stellen. Sommige daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, van het holotype. Het bezit van een hoge, halvemaanvormige, kam op de snuit van de schedel, gevormd door de opgaande takken van de praemaxillae. De condylus occipitalis is overdwars breder dan het achterhoofdsgat. Het gedeelte van de voorste onderkaak dat met zijn tegenhanger vergroeid is, heeft een uitstekende horizontale richel aan de buitenste zijkant. Het retroarticulair uitsteeksel aan de achterkant van de onderkaak is langgerekt, ongeveer even lang als het gewrichtsvlak. De onderkant van het spaakbeen is verdeeld in twee afgeronde uitsteeksels. Het eerste kootje van de tweede vinger heeft een trogvormige lengtegroeve aan de onderkant van de binnenzijde. De voorkant van het sprongbeen heeft aan de basis van de opgaande tak een bultvormig uitsteekseltje.

Daarnaast zijn bij specimen CM 78001 nog eens vier potentiële autapomorfieën zichtbaar, die geldig zijn afhankelijk van de correctheid van de toewijzing. Het hoofdlichaam van het bovenkaaksbeen heeft geen uitholling rond de fenestra antorbitalis. De opgaande tak van het bovenkaaksbeen is langwerpig en gebouwd als een omgekeerde L. De tak van het jukbeen richting quadratojugale is hoog. De tak van het jukbeen richting quadratojugale is gevorkt.

Algemene bouw Anzu is een bevederde tweevoeter met vrij lange armen en een korte staart. De naamgevende auteurs verschaften ook een korte beschrijving van de algemene bouw van Anzu. De schedel is nauw en hoog en wordt bekroond door een hoge schedelkam welke doet denken aan die van de kasuaris. In de schedel is het meest opvallende element wel het jukbeen aangezien het zo basaal van vorm is met een hoge gevorkte achterste tak net als bij oudere theropoden. De kaken zijn tandeloos en, zoals bij andere oviraptorosauriërs, kenmerken de vergroeide voorste onderkaken zich door een complex geheel van richels en groeven, dat bij leven de aanhechting vormde voor een hoornige ondersnavel. De nek is met twaalf halswervels lang maar ook vrij breed over de nekribben gemeten, vooral aan de achterkant. De staart is sterk gepneumatiseerd, doortrokken van luchtholten. De staartpunt loopt uit in een korte pygostyle, een vergroeiing van de uiterste staartwervels, net als bij vogels. In de romp hebben de borstbeenderen een paar goed ontwikkelde zijuitsteeksels, net als bij de Oviraptoridae. In de arm is het spaakbeen opmerkelijk daar het naar beneden toe uitloopt in twee bulten. De hand is relatief lang en heeft verder een typische caenagnathide bouw met handklauwen voorzien van een flinke beenlip aan de bovenste achterkant en een langgerekte tweede en derde vinger. In het bekken is het schaambeen recht en het zitbeen opvallend gekromd. De achterpoten zijn lichtgebouwd waarbij het onderbeen duidelijk langer is dan het bovenbeen. De tenen zijn lang zoals bij de meeste caenagnathiden.

Skelet Schedel thumb|Een model van schedel en nek Het opvallendste kenmerk van de schedel van Anzu is een hoge kam op de snuit. Zulke kammen zijn bij oviraptorosauriërs niet zeldzaam maar de hoogte is in dit geval uitzonderlijk, alsmede de zeer steile hoek, een profiel scheppend dat wat aan dat van Rinchenia doet denken. Het hoofdlichaam van de praemaxilla is vrij hoog en dat resulteert in een tamelijk steile snuitpunt. Deze kromt daarna eerst wat naar achter maar in een hol profiel stijgt de voorrand daarop weer sterk omhoog, uitlopend in een bolle kamtop die de schedelhoogte ongeveer verdubbelt. Het profiel van de achterrand is onbekend maar wordt door de beschrijvers als gekromd verondersteld. De voorrand wordt gevormd door de opgaande, nasale, takken van de praemaxillae. Deze zijn in het midden niet met elkaar versmolten: iedere tak houdt een eigen verdikte richel aan de uiterste rand. Aan de binnenkant van de richel moet een zich ver naar beneden uitstrekkend neusgat hebben gelegen maar de precieze vorm daarvan is onbekend. Daardoor is het ook niet duidelijk wat de interne structuur van de kam was; vermoedelijk bestond die uit erg dun bot. De beschrijvers gingen ervan uit dat de beenkam nog naar boven verlengd werd door kraakbeen of hoorn. De praemaxillae zijn tandeloos en dragen een hoornsnavel waarvan de onderrand, gezien de vorm van de onderrand van de praemaxilla, matig gegolfd is. left|thumb|De kaken van Anzu zijn tandeloos Het bovenkaaksbeen is eveneens tandeloos. Het heeft en opgaande tak die eerst vrij steil omhoog gaat om daarna naar achteren te buigen. Problematisch is de relatie tussen deze maxilla en de praemaxilla. In de interpretatie van de beschrijvers vormt de maxillaire nasale tak de achterkant van de neusopening en versmalt die laatste wat naar boven toe. Volgens een reconstructie van Paul uit 2010 echter is de tak meer liggend geplaatst. Dat heeft ook consequenties voor de aan te nemen hoogte van het hoofdlichaam van het bovenkaaksbeen: bij een meer verticale stand is die hoogte groter. Bij de fossielen is juist dit element slecht bewaard gebleven als een mozaïek van beenschilfers. Daardoor is het moeilijk vaststelbaar of er vóór de grote schedelopening, de fenestra antorbitalis, de gebruikelijke uitholling of fossa aanwezig is. Volgens de beschrijvers ontbreekt deze hoewel de botwand iets naar binnen wijkt; Paul ziet dit als homoloog aan de fossa. De vaak extreme inspringing die oviraptoriden bezitten, lijkt in ieder geval afwezig te zijn. Het profiel van de fenestra antorbitalis leek wellicht op een parallellogram; de achterrand is echter onbekend.

Bij de meeste oviraptorosauriërs is het jukbeen niet veel meer dan een dunne rand onder de oogkas en het onderste slaapvenster. Bij Anzu daarentegen is zowel de voorste tak richting bovenkaaksbeen als de achterste tak richting quadratojugale vrij hoog. De achterste tak wordt naar achteren zelfs hoger en eindigt in een vork, een basaal kenmerk. De "tanden" van de vork zijn lobvormig. Er is geen duidelijke opgaande tak richting traanbeen wat het lastig maakt de grens tussen de fenestra antorbitalis en de oogkas te bepalen daar het traanbeen en het voorhoofdsbeen onbekend zijn. De tak naar het postorbitale achter de oogkas is tamelijk dun en schuin naar achteren en boven gericht. thumb|Verschillende elementen van schedel en onderkaken