miniatuur|Het Hunsrückgehucht in het buitenterrein met links voor de smederij. Het huis met het torentje is het raadhuis Het Volkskundig en Openluchtmuseum is een openluchtmuseum dat in 1976 is opgericht in Konz (Landkreis Trier-Saarburg, Rijnland-Palts). Het ligt op een heuvel boven het dal van de Moezel in het stadsdeel Roscheid aan de gemeentegrens met Trier. Het museum wil een beeld geven van de volkscultuur in het gebied rond de Moezel en de Saar. Hieronder vallen de Eifel, de Hunsrück en het Saarland, evenals delen van Luxemburg en Lotharingen. Het museum behoort met een tentoonstellingsoppervlakte van 4000 m2 en 22 hectare buitenterrein tot de grootste Duitse volkskundemusea. Het museum wordt beheerd door Volkskunde- und Freilichtmuseum Roscheider Hof, Konz e.V., een vereniging met meer dan duizend leden.
Geschiedenis miniatuur|De gebouwen van het Roscheider Hof (als "ferme" aangeduid) boven het Kartuizerklooster en de plaats Mertzlich (nu Konz-Karthaus) op de kaart van Tranchot-Müffling uit 1820.
Het hoofdgebouw van het Roscheider Hof wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde van de Benedictijnerabdij Sint-Matthias in Trier. In 1330 verkocht de abdij een jaargeld en verpandde als zekerheid daarvoor onder andere hun Hof Roscheid. 12 jaar later werd het hof voor een tweede keer vermeld. In de oudste bewaarde pachtoorkonde uit 1448 verpachtte het klooster het Hof Roscheid met velden, weiden, bossen en alle toebehoren voor 18 jaar aan Johan von Konz en zijn vrouw Else. De namen van alle navolgende pachters zijn tot het laatste pachtverdrag van 1793 overgeleverd. De hoeve bestond uit twee tegenover elkaar liggende gebouwen. Het gebouw aan de noordoostelijke zijde met woongedeelte, vee- en paardenstal is bewaard gebleven in het nog bestaande deel van het gebouw van de vierkantshoeve. Bij renovatiewerken kwamen in 1978 enkele vondsten tevoorschijn, die wijzen op een datering in de vroege 16e eeuw en vroeger.
In 1794 ging met de intocht van Franse revolutionaire troepen het feodaal tijdperk ook in het keurvorstendom Trier ten einde. Het Roscheider Hof werd als onteigend kloostergoed in 1802 aan de Franse Staat toegewezen en op 7 maart 1805 door de Saarburger Nikolaus Valdenaire voor 8500 frank op een veiling gekocht. Valdenaire, een Franse soldaat, was in een lokale familie ingetrouwd. Hij was een invloedrijke persoonlijkheid met door de Franse Revolutie beïnvloede ideeën. Hij breidde het sinds drie eeuwen slechts weinig veranderde goed uit en verbouwde de voor het Trierer Land ongewone vierkantshoeve (gesloten hoeve) tot de huidige vorm. De nevengebouwen aan het voorhof werden pas later gebouwd.
miniatuur|links|De binnenhof van de vierkantshoeve van Valdenaire.
Na de dood van Valdenaire in het jaar 1849 toonde zijn met Karl Marx bevriende zoon Viktor Valdenaire weinig interesse voor de hoeve. Het lukte hem in 1864 om de hoeve te verkopen. Later werd met steun van de staat een landbouwschool in het Roscheider Hof gevestigd. Deze werd in 1871 naar Saarburg verplaatst. Na herhaalde wisselingen van eigenaar werd de hoeve met de daarbij horende landerijen in 1909 verworven door de belastingdienst van het Koninkrijk Pruisen en vervolgens door de staat beheerd. Na de Tweede Wereldoorlog ging het staatsdomein over naar het land Rijnland-Palts. De laatste leider, Edgard Studt, ondersteunde de idee van het openluchtmuseum, zodat hij het bedrijf uit de verouderde gebouwen zou kunnen verplaatsen naar een rationele nieuwbouw. Daarvan kwam het niet meer, daar de Stad Konz op 9 juni 1969 het Roscheider Hof voor 2.500.000 DM van de Landesdomänenverwaltung (landsdomeinenbeheer) verwierf, met het doel op 150 hectare grond het nieuwe stadsdeel Konz-Roscheid te bouwen. De hoeve met een oppervlakte van 20 hectare werd bestemd als openluchtmuseum.
Ontstaan van het museum miniatuur|upright|Rolf Robischon miniatuur|upright|Ulrich Haas in mei 2015
Geschiedenis Nadat meer dan tien jaar lang pogingen mislukt waren om in Konz het centrale openluchtmuseum voor Rheinland-Pfalz op te richten, werd op 12 juni 1973 in de raadzaal van het stadhuis van Konz de vereniging opgericht voor de stichting van een museum. Dit geschiedde als protest, nadat de toenmalige minister-president Helmut Kohl op 15 mei 1971 verordend had, dat alle initiatieven voor de oprichting van een openluchtmuseum op het Roscheider Hof beëindigd dienden te worden.
Het museum ontstond op initiatief van enkele afzonderlijke individuen en met ondersteuning van enkele lokale en regionale bestuurders. Drijvende kracht was Rolf Robischon, architect, gebouwendeskundige en professor aan de Bauschule Trier (op heden de Hochschule Trier). Vanaf 1975 werd het verzamelde museumgoed opgeslagen in het hoevegebouw, dat in de anticipatie gerestaureerd werd. Tussen 1975 en 1976 werd een eerste huis overgebracht, het gemeentehuis van Gödenroth. In het hoevegebouw werden acht ruimten ingericht met voorwerpen uit de collectie en op 17 juni 1976 kon het museum met bescheiden inrichting worden geopend in het bijzijn van de toenmalige minister van Onderwijs Bernhard Vogel.
De oudste museumruimten bevinden zich achter de ingang vanuit de binnenplaats van de hoevegebouwen. Een zogenaamde Tante Emmawinkel uit de eerste helft van de 20e eeuw, schoollokalen en weefkamer bevinden zich op heden nog bijna in de toestand van de oorspronkelijke inrichting. Een kapsalon en een dorpskroeg zijn inmiddels verhuisd naar het winkelstraatje en de oude keuken naar het Saargauhaus. Er bevindt zich in deze ruimten de tentoonstelling Kinderwelten (kinderwerelden).
Rolf Robischon was in de eerste opbouwfase tot 1985 directeur van het museum. Voor zijn verdiensten voor het museum tot zijn dood in 1989, werd hem door de stad Konz het ereburgerschap verleend.
Van 1985 tot zijn overlijden in december 2015 was Ulrich Haas honorair leider van het museum. Hij besteedde nog meer aandacht aan het realiseren van het Hunsrückgehucht, het Moseldorp en vooral aan de verbouwing van de hoeve tot tentoonstellingsruimte. Deze was tot het einde van de jaren tachtig aan een landbouwbedrijf verpacht, waardoor de verbouwing uitgesteld moest worden. In november 2008 kon het laatste deel van de hoeve, een grote schuur, door het museum overgenomen worden. In 1996 werd het museumterrein omheind, om verdere schade door spelende kinderen en everzwijnen tegen te gaan.
In de volgende jaren werden verdere ruimten ingericht voor thematische tentoonstellingen. In het Hunsrückgehucht ontstonden een bakhuis en een school, een nieuwbouw met bosmuseum en depotruimten evenals de eerste huizen van de bouwgroep Moezel. In de tentoonstellingsgebouwen werden in deze periode twee winkelstraatjes en de tentoonstelling van tinnen figuren ingericht, alsook speelgoedverzamelingen tentoongesteld. In een modern tentoonstellingsgebouw werd een tentoonstelling over het Leven in het bos en in een voormalige goederenopslag werd een tentoonstelling over het spoorwegknooppunt Konz ingericht.
Op 11 juni 2006 besloot de stadsraad van Konz eensgezind, Ulrich Haas voor zijn inzet als museumleider eveneens het ereburgerschap van de stad te verlenen.
In maart 2016 werd Helge Klaus Rieder door de ledenvergadering van het museum tot eerste voorzitter en daarmee tot honorair museumleider verkozen.
Concept en opbouw miniatuur|Plattegrond van het museum In 2008 bestond het museum uit een vierkantshoeve, die als tentoonstellingsgebouw en restaurant benut wordt. Verdere onderdelen van het museum zijn het Hunsrückdorp met elf gebouwen, het Moezeldorp in opbouw, een bos- en houtmuseum in een modern tentoonstellingsgebouw, een grenssteenmuseum, tuinen, twee kapellen, hoogstamboomgaarden, landbouwakkers, een kinderspeelplaats en een oliemolen, een op ongeveer twee kilometer afstand gelegen nevenvestiging.
Uitgangspunt van het museum is de weergave van verschillende leefwerelden in het landelijk gebied, die van dagloners via boeren en wijnbouwers, tot de eerder dorpse beroepen zoals ambachtslieden, tandarts en apotheker reiken. Iets dergelijks geldt ook voor de woonomstandigheden. Het zwaartepunt ligt daarbij op de tijd van 1860 tot 1960, hoewel enkele museumstukken duidelijk ouder zijn. Zo werden twee tegenover elkaar liggende vakwerkhuizen in de stijl van 1870 respectievelijk 1950 ingericht. Drie verscheidene Tante-Emma-Läden (dorpswinkels) tonen de ontwikkeling in een vergelijkbaar tijdvak. Een bijzonderheid van het openluchtmuseum is de afdeling gewijd aan de kinderwereld, waarin drie speelgoedverzamelingen en een tentoonstelling van tinnen figuren geïntegreerd zijn. Het museum publiceert in zijn publicatiereeks monografieën en aan het einde van ieder jaar voor de leden de Roscheider Blätter.
Door gebrek aan financiën kon het museum geen vooraf bepaald opbouwplan volgen. Veel meer moesten gunstige gelegenheden benut worden om gebouwen en museumstukken te verwerven. Talrijke tentoongestelde voorwerpen werden geschonken, terwijl enkele vitrines door andere musea werden ingebracht. Door plaatsgebrek konden echter niet alle aan het museum geboden voorwerpen opgenomen worden, terwijl om financiële redenen niet alle aangeboden gebouwen naar het museum konden worden overgebracht. Ook van het houden van dieren moest tot nu toe worden afgezien.
Volkskundige tentoonstellingen De tentoonstelling concentreert zich in de vierkantshoeve, waarin op meer dan 3500 m² verscheidene volkskundige thema's vertoond worden. Een thematische tentoonstelling rond het thema bos en bosbouw bevindt zich in het bosmuseum in het laagste deel van het buitenterrein. Enkele ambachtswerkplaatsen bevinden zich in de huizen van het Hunsrückgehucht en van het Moezeldorp.
Van koren tot brood De akkerbouwers in grote delen van de Eifel en de Hunsrück slaagden er in de 19e eeuw steeds minder goed in om hun concurrentiepositie te handhaven. Het lukte hen door de geografische omstandigheden niet om de productiviteit te verbeteren. Dat gold vooral voor de boerderijen in het schrale middengebergte en minder voor die in de klimatologisch begunstigde dalen.
Het zwaartepunt van de museumverzameling op agrarisch gebied ligt bij de mechanisering van de landbouw vanaf ongeveer 1930. Om het verschil duidelijk te maken wordt als contrast aandacht besteed aan het ploegen en zaaien met de hand, het maaien met de zeis en het dorsen met de dorsvlegel. Dit wordt gedemonstreerd aan de hand van museumstukken zoals een eenvoudige houten ploeg. miniatuur|Bakkerijoven uit Polch
Bij de eerste mechaniseringsgolf kwamen met de hand aangedreven dorsmachines en wanmolens in gebruik. Stoommachines en locomobielen waren er niet, daar dergelijke kostbare machines vanwege de lage opbrengsten in het middelgebergte niet rendabel waren. De vroege mechanisatie en motorisering wordt in het museum door dorsmachines, molens, meelsilo's en een der eerste maaidorsers gerepresenteerd. Ook bezit het museum een reeks tractoren waarvan sommige nog op de museumvelden ingezet worden. Op de Bauern- und Handwerkertag in september wordt het werken met deze apparaten gedemonstreerd.
Aan het einde van de tentoonstelling bevindt zich in een afzonderlijke ruimte de oven uit de jaren dertig van bakkerij Gail uit Polch in het Maifeld, die naar het museum werd verplaatst.
Wijn, Viez (appel- en perenwijn), Brandewijn miniatuur|Wijncontrolelabo, jaren 1960 De tentoonstelling toont de voor de in Romeinse tijd begonnen wijnbouw noodzakelijke werkstappen van de wijnstokplanting tot de botteling. Naast wijn hebben ook Sekt, Viez (appel- en perenwijn) en fruitbrandewijn een lange traditie.
De Wijngaard van de tentoonstelling bevat naast Riesling- en Elbling- ook Müller-Thurgau-wijnstokken, die in Luxemburg ook wel Rivaner worden genoemd. De tentoonstelling gaat verder met de aanbouwtechnieken, waarbij ook de inzet van gewasbeschermingsmiddelen gethematiseerd wordt. Afbeeldingen en een diorama van de druivenoogst in de vroege 20e eeuw leiden de bezoeker naar verschillende typen wijnpersen.