thumb|Geboortehuis van Friedrich Schneider in het toenmalige Altwaltersdorf, nu: Waltersdorf Johann Christian Friedrich Schneider (Altwaltersdorf, tegenwoordig een wijk van Waltersdorf, 3 januari 1786 – Dessau, 23 november 1853) was een Duitse componist, muziekpedagoog, kapelmeester en organist. Hij was de oudste van twee zonen van de leraar en organist Johann Gottlieb Schneider (1753-1840).

Levensloop Jeugd, opleiding en het begin van de muzikale carrière thumb|Gedenkplaat aan het geboortehuis van Friedrich Schneider Schneider kreeg eerste muziekles (piano, orgel, viool, cello en verschillende blaasinstrumenten) van zijn vader. Vanaf 1798 ging hij op het gymnasium in Zittau en zong in het koor van deze school. Spoedig werd hij solist als tenor van dit schoolkoor. Van april 1804 tot juli 1805 was hij schoolprefect. Vanaf 1805 studeerde hij "Humaniora" in Leipzig en studeerde privé muziek bij August Eberhard Müller, Johann Gottfried Schicht en ook Johann Friedrich Rochlitz, de bekende oprichter van het Algemene muzikale dagblad (Allgemeine Musikalische Zeitung) in Leipzig. Binnen korte tijd had hij vele functies, in 1807 werd hij organist aan de St. Pauli kerk (Universiteitskerk),Rudolf Vierhaus: Deutsche Biographische Enzyklopädie 9, Berlin: Walter de Gruyter, K. G. Saur Verlag GmbH & Company, pp. 98 in 1810 werd hij muziekdirecteur van een operagezelschap, in 1813 organist aan de Thomaskerk en werd in 1816 directeur van de zangacademie (Singakademie) en vanaf 1817 muziekdirecteur van het stedelijk theater. Daarmee had hij grote invloed op het muziekleven in Leipzig in deze periode. Als solist bij de uitvoering van het 5e pianoconcert in Es majeur op. 73 van Ludwig van Beethoven in 1811 in het Leipziger Gewandhaus kon hij zijn vakbekwaamheid als pianist bewijzen.

In 1812 huwde hij de zangeres Elisa Geibel. Bij de geboorte van het eerste kind overleden moeder en kind. In 1815 huwde hij de zuster van zijn eerste vrouw Katharina Maria. Uit dit huwelijk werden 4 meisjes en 4 jongens geboren.

Alhoewel hij zich gedurende de jaren in Leipzig met alle muzikale genres bevatte, was van hem voor 1820 als componist niet veel bekend. De doorbraak als componist kwam met de onverwachte succes na première op 6 maart 1820 van zijn tweede oratorium Das Weltgericht. Niet alleen in Leipzig moest het werk meerdere malen uitgevoerd worden en bracht hem bekendheid ook buiten de regio.

Hofkapelmeester in Anhalt-Dessau thumb|Monument voor Friedrich Schneider in het stadpark van Dessau - door Hermann Schubert, 1856 In 1821 werd hij opvolger van de in 1820 overleden Leopold Carl Reinicke als kapelmeester aan het hof van hertog Leopold III Frederik Frans van Anhalt-Dessau en beleefde het muziekleven aldaar. Een belangrijk punt was de reorganisatie van de orkest aan het hof. Al spoedig was de nieuw opgestelde hofkapel in staat om te presteren. Vanaf 1822 installeerde hij naar het voorbeeld van Leipzig regelmatige abonnementsconcerten en richtte een zangacademie op. Samen met de dichter Wilhelm Müller richtte hij ook de Dessauer Liedertafel op. Zowel met het schoolkoor van het gymnasium als met het mannenkoor van het lerarenseminaar voerde hij regelmatig concerten met kerkmuziek in de drie kerken van de stad uit. In 1829 richtte hij in Dessau een muziekschool op.

Hij vestigde zijn bekendheid ook buiten de regio doordat hij - naast zijn werkzaamheden als kapelmeester - bij talrijke muziekfeesten als dirigent optrad. Gedurende zijn jaren in Dessau ontstonden vooral oratoria en andere geestelijke werken alsook werken voor mannenkoor. Vanaf 1830 componeerde hij minder en trok zich langzamerhand meer terug in het contemplatieve Zerbst, om zich zijn andere voorliefde voor tuinliteratuur en astronomie te wijden. In deze periode was hij lid van meer als 25 muzikale verenigingen. Onder de talrijke onderscheidingen schieten bovenuit de in 1830 besloten benoemingen tot eredoctor van de universiteiten in Halle en in Leipzig, maar ook de ere-lidmaatschappen bij de New York Philharmonic Society (1853), van de Weense Gesellschaft der Musikfreunde en van de Koninklijke Muziekacademie in Stockholm. In 1807 werd hij opgenomen in de vrijmetselaarsloge Balduin zur Linde in Leipzig.

Als componist schreef hij 16 oratoria, verdere geestelijke vocale composities, maar ook zes opera's en een reeks instrumentale werken, waaronder 23 symfonieën, 20 ouverturen, 2 pianoconcerten, dansen en variaties. Zijn bekendheid als componist heeft hij vooral het grote succes van zijn oratorium Das Weltgericht (De jongste dag), op. 46 te danken.Niederrheinische Musik-Zeitung, 21 January 1854: Das Weltgericht wurde zum ersten Male im Jahre 1820 zu Leipzig aufgeführt und erlangte bald eine Theilnahme und Anerkennung in ganz Deutschland, wie sie lange kein Werk in solcher Einstimmigkeit und in solchem Maasse gefunden hatte. Verder heeft hij de behoefte van de overal opkomende muziekfeesten en de zich ontwikkelende koormuziekbeweging met een groot aantal van licht te zingende koormuziek bedient. Zijn oratoria en de andere werken werden zowel van het publiek als door de critici positief opgenomen en beoordeelt. Door zijn inzet als dirigent, organisator en componist heeft hij maatgevend de muziekfeestontwikkeling beïnvloed. Bijvoorbeeld waren de sinds 1826 organiseerde Elbmuziekfeesten vast met zijn naam verbonden. Grote waardering kreeg hij door zijn tijdgenoten ook als koor- en orkestpedagoog. Naast zijn missen en opera's ontving hij ook voor zijn liederen en koorwerken positieve resonantie. Hij genot in zijn leeftijd als muzikant in Duitsland grote waardering.

Composities Werken voor orkest Symfonieën 1798: - Symfonie nr. 1 in D majeur 1800: - Symfonie nr. 2 in D majeur 1802: - Symfonie nr. 3 in Bes majeur 1802: - Symfonie nr. 4 in d mineur 1803: - Symfonie nr. 5 in C majeur 1805: - Symfonie nr. 6 in D majeur 1806: - Symfonie nr. 7 in Es majeur 1807: - Symfonie nr. 8 in C majeur 1807: - Symfonie nr. 9 in d mineur 1807: - Symfonie nr. 10 in Es majeur 1808: - Symfonie nr. 11 in Bes majeur 1809: - Symfonie nr. 12 in c mineur 1810: - Symfonie nr. 13 in G majeur 1810: - Symfonie nr. 14 in Es majeur 1816: - Symfonie nr. 15 in D majeur 1818: - Symfonie nr. 16 in A majeur 1822: - Symfonie nr. 17 in c mineur 1825: - Symfonie nr. 18 in F majeur 1831: - Symfonie nr. 19 in e mineur 1832: - Symfonie nr. 20 in Bes majeur 1834: - Symfonie nr. 21 in b mineur 1847: - Symfonie nr. 22 in f mineur 1847: - Symfonie nr. 23 in G majeur

Concerten voor instrumenten en orkest Concert nr. 1, voor piano en orkest Concert nr. 2, voor piano en orkest

Ouverturen 1804: - Ouverture in C majeur 1804: - Ouverture in d mineur 1805: - Ouverture 1805: - Ouverture "Tragische" in c mineur, op. 45 1805: - Ouverture 1806: - Ouverture, voor groot orkest, op. 11 1817: - Ouverture tot Schillers "Die Braut von Messina", op. 42 1818: - Ouverture zu dem Festspiele "Die Koenigseiche" 1818: - Ouverture "Polnische" 1820: - Ouverture 1820: - Ouverture 1822: - Ouverture "Dessauer Marsch" - Der Dessauer Marsch als Ouverture, op. 50 1826: - Ouverture "Jacht-Ouverture Nr. 1", op. 66 1826: - Ouverture "Jacht-Ouverture Nr. 2", op. 67 1829: - Gaudeamus igitur: Feest-Ouverture over motieven van academische liederen, voor groot orkest, op. 84 1848: - Ouverture "Feestouverture" Ouverture "God save the King" in Es majeur, op. 43

Andere werken voor orkest Drei Polonaisen, voor groot orkest, op. 48 Bes majeur E majeur D majeur Drei Polonaisen, voor groot orkest D majeur C majeur C majeur Geschwindmarsch in F majeur

Werken voor harmonieorkest Ouverture over de "Dessauer Marsch" in Es majeur, voor harmonieorkest, op. 30

Missen en andere kerkmuziek Oratoria 1810: - Die Höllenfahrt des Messias, voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: Heinrich Seidel 1819: - Das Weltgericht - Iudicium extremum (De jongste dag), oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest, op. 46 - tekst: Johann August Apel, Nederlandse vertaling: Pieter Gerardus Witsen Geysbeek - opgedragen aan Frederika Louise van Pruisen, hertogin van Anhalt-Dessau 1821: - Die Totenfeier, oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: August Hermann Niemeyer 1823: - Die Sündfluth, oratorium voor solisten, gemengd koor en orkest (of piano), op. 52 - tekst: Eberhard Rudolf von Groote 1824: - Das verlorene Paradies, oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: Heinrich Ludwig de Marées 1825: - Jesus Geburt, oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: Heinrich Ludwig de Marées 1827: - Christus, der Meister, oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: Philipp Mayer 1828: - Pharao, oratorium in twee delen voor solisten, gemengd koor en orkest, op. 74 - tekst: Adolf Brüggemann 1829: - Christus, das Kind, oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest, op. 83 - tekst: Philipp Mayer 1829: - Gideon, oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest, op. 88 - tekst: Adolf Brüggemann 1830: - Absalon, oratorium voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: Adolf Brüggemann 1835: - Das befreite Jerusalem, oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: Gelske 1836: - Salomonis' Tempelbau (onvoltooid) - tekst: Gelske 1837: - Bonifacius (onvoltooid) - tekst: Julius Schubring 1838: - Gethsemane und Golgatha, passie(Goede Vrijdags)-oratorium voor solisten, gemengd koor en orkest, op. 96 - tekst: Wilhelm F. Schubert 1838: - Christus, der Erlöser, oratorium in drie delen voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: Philipp Mayer

Missen, Te Deum 1802: - Mis in C majeur, voor gemengd koor en orkest 1803: - Mis in D majeur, voor gemengd koor en orkest 1804: - Mis in Es majeur, voor gemengd koor en orkest 1805: - Mis in C majeur, voor gemengd koor en orkest 1807: - Mis in Es majeur, voor gemengd koor en orkest 1807: - Mis, voor 3 zangstemmen en piano (of orgel) 1815: - Mis in F majeur, voor solisten, gemengd koor en orkest, op. 39 1815: - Mis in a mineur, voor dubbelkoor a capella 1816: - Mis in G majeur, voor solisten, gemengd koor en orkest 1817: - Mis in Es majeur, voor dubbelkoor a capella 1817: - Missa: solis vocibus humanis comitante in F majeur - tekst: Adolf Brüggemann 1817: - Mis, voor vijfstemmig gemengd koor a capella 1819: - Mis in C majeur, voor solisten, gemengd koor en orkest, op. 55 - opgedragen aan: Erich Heinrich Verkenius 1825: - Gloria in D majeur, voor mannenkoor 1826: - Mis in F majeur, voor solisten, gemengd koor en orkest 1830: - Te Deum für die Universität Leipzig 1832: - Mis "Orgelmis"

Cantates, hymnes, psalmen 1800: - Cantate "Heilig, heilig!" 1800: - Cantate "Wie der Wind bläset" 1801: - Cantate "Der Tod" 1801: - Cantate "Groß sind die Werke des Herrn" 1801: - Cantate "Jedes Werk zeigt deine Größe" 1802: - Cantate "Heilig" 1804: - Hymnus "Das große Halleluja" 1804: - Hymnus, voor 3 koren 1808: - Cantate 1808: - Hymnus "Die Gottheit" 1810: - Cantate 1810: - Cantate zur Kirchenweihe in Gersdorf 1810: - Cantate "Ariadnes Apotheose" 1810: - Der 130. Psalm 1811: - Abschiedskantate, cantate 1811: - Cantate "Trauungskantate" 1817: - Cantate, Aria met koor 1817: - Cantate "Hochzeitskantate" 1817: - Cantate "Osterkantate" nach Worten der heiligen Schrift 1821: - Cantate zur Einweihung der Georgenkirche in Dessau 1821: - Der 146. Psalm 1821: - Die Todtenfeier, cantate in 2 afdelingen - tekst: Niemeyer 1822: - Cantate "Pfingstkantate" - "Merkt auf! So spricht der Herr", voor gemengd koor en orkest - tekst: Friedrich Rochlitz 1822: - Der 24. Psalm "Jehovas ist die Erd' und ihre Fülle", voor gemengd koor en orkest, op. 72 - tekst: vertaling van Johann Gottfried Herder 1823: - Cantate "Kerstcantate" 1823: - Der 29. Psalm 1824: - Cantate "Paascantate" 1824: - Cantate zur Orgelweihe in der Schlosskirche Dessau