Petrus Vuyst of Pieter Vuijst (Batavia, Nederlands-Indië, 1691 – aldaar, 19 mei 1732) was een Nederlands jurist en Raad van Indië bij de VOC. Hij was van 1726 tot 1729 de 20e gouverneur van Ceylon tijdens de Nederlandse koloniale periode.

Advocaat-fiscaal Petrus Vuyst werd geboren in Batavia als zoon van Hendrik Vuyst (1656-1705) uit Alkmaar en Maria de Nijs. Hendrik Vuyst werd in 1701 opperkoopman en havenmeester in Batavia. Een belangrijke functie, ook wel licentmeester of sjahbandar genoemd, met veel mogelijkheden om wat bij te verdienen. Hendrik Vuyst was zodoende een vermogend man, en kon zijn zoon naar de Republiek laten gaan om er te studeren. In 1711 was Petrus als student ingeschreven in Leiden.Historische-Genealogische-Heraldieke Aantekeningen op Ceylon in De Wapenheraut, DG van Epen, redacteur, Volume 1, Den Haag, 1897, blz. 53-4 Hij studeerde er af als meester in de rechten. Ook trouwde hij. Op 11 februari 1714 in de Grote Kerk van Haarlem, met de Haarlemse Barbara Wilhelmina Gerlings (1692-1746).FH de Vos, Portretten van Nederlandse gouverneurs van Ceylon, in het Dagboek van de Nederlandse Burgher Union of Ceylon, Volume V, Albion Press, Galle, 1912, blz. 14-18. De Gerlings waren een invloedrijke familie en wellicht speelde dit een rol bij de benoeming van Vuyst tot advocaat-fiscaal (officier van justitie) van Indië toen hij nog maar 25 was. Op 16 mei 1716 vertrok hij met zijn vrouw en jonge dochter Maria Louisa op het schip 'De Herstelde Leeuw' voor de Kamer van Zeeland naar Batavia, waar ze na een tussenstop aan de Kaap de Goede Hoop in februari 1717 aankwamen.MG Wildeman, Familie-Aantekeningen Gerlings (familie merkt Gerlings uit de 18e eeuw), in De Nederlandse Leeuw, 1897 Hier begon hij aan zijn functie als advocaat-fiscaal. Hij verving Abraham Alewijn, die de functie had waargenomen. Vier jaar en vele fraudezaken later, in 1721, werd hij buitengewoon Raad van Indië, met in zijn portfolio Ambon en Malakka. Hij stopte toen als advocaat-fiscaal, waarna Alewijn het ambt weer waarnam tot Everhard Kraayvanger werd benoemd.

Bengalen miniatuur|De VOC handelspost in Chinsura in 1721 In augustus 1722 werd Vuyst directeur in Bengalen. Hij volgde Ewout van Dishoeck op die wilde repatriëren. In Bengalen had de VOC verscheidene handelsposten. Het hoofdkantoor, door de VOC Hougli genoemd, was in Chinsura aan de oever van de Hougli rivier vlak boven Calcutta, tweehonderd kilometer stroomopwaarts van de Golf van Bengalen. In Bengalen werden katoenen stoffen, ruwe zijde, opium en salpeter ingekocht. Het was begin 18de eeuw een belangrijke en succesvolle vestiging, die erom bekend stond dat het VOC personeel er aardig wat bij kon verdienen met particuliere handel en provisies. In Vuysts korte bestuursperiode vond weinig bijzonders plaats. Het enige opvallende is dat hij Jan Albert Sichterman, toen onderkoopman en lijnbaanmeester, en later zelf directeur van Bengalen en Raad van Indië, ontsloeg en naar Batavia stuurde, tegen de bepalingen van de Raad in. Een jaar later was Sichterman alweer terug als fiscaal.

Al op 20 juni 1724 werd Vuyst weer naar Batavia teruggeroepen. Abraham Patras volgde hem op. In december arriveerde Vuyst in Batavia met 9 schepen met een lading bestemd voor de retourvloot van Van Dishoeck, die nog voor Bantam lag. Hij ging toen weer deelnemen aan de vergaderingen van de Raad van Indië. 25 mei werd hij ook president van het College van Schepenen (rechtbank).

In oktober 1725 overleed de gouverneur van Ceylon, Johannes Hertenberg. Vuyst solliciteerde op die functie, samen met twee andere raadsleden, Dubbeldekop en Van der Schuer, en de commandeur van Malabar, Jacob de Jong. Het was Vuyst die benoemd werd, op 28 mei 1726. Op 29 juli vertrok hij naar Ceylon, waar hij op 16 september aankwam, in de op twee na hoogste rang bij de VOC in Azië, na de gouverneur-generaal en de directeur-generaal in Batavia. Hij was toen 35.

Ceylon Vuystwijk In Ceylon stuurde hij op 18 december het gebruikelijke gezantschap naar de koning van Kandy, Vira Narendra Singha, in het binnenland, onder leiding van de vaandrig Dirk Pieter Beekman, met geschenken 'ter waarde van fl.15.000 en daarnevens ook de gerequireerde groote hanen ten getalle van 12 stux en drie fraaye stootrammen, waarna het verlangen soo groot is geweest, dog de begeerde groote honden stond men indertijt eerst op te senden wanneer men die soude hebben bekomen.' Op audiëntie bij de koning werd Beekman 'seer minnelijk ontfangen' en kreeg hij de gewenste toestemming voor de vrije doortocht van olifanten van Matara via Puttalam naar Jaffna en het schillen van kaneel op Kandiaans grondgebied. Beekman werd bevorderd tot luitenant. miniatuur|Galle rond 1740. Het centrale Maan bastion (b) aan de oostkant, Neptunus (f) en Triton (g) aan de noordwestkant. Naar aanleiding van geruchten van oorlog in Europa liet Vuyst de forten van Colombo en Galle verder versterken. De Raad in Batavia vond het echter niet juist dat hij dit door de plaatselijke bevolking liet doen zonder loon te betalen. In Fort Galle werd het centrale bastion aan de landzijde, Maan, vergroot, en twee extra bastions, Neptunus en Triton, werden toegevoegd aan de muur aan de westelijke zeekant. Het Maan bastion werd hiermee het sterkste bastion van de VOC in Ceylon. Voor zichzelf liet hij, zonder toestemming en met materiaal van de Compagnie, een buitenhuis bouwen op een stuk land buiten Colombo, dat hij Vuystwijk noemde. Tegenwoordig is hier Vystwyke Park.

Ook stimuleerde hij de door zijn voorganger Rumpf geïntroduceerde koffieverbouw, door de boeren op het grondgebied van de Compagnie te verplichten een deel van hun land daaraan te besteden. Zijn grootse plannen om van Ceylon ook een peperleverancier te maken werden in Batavia beschouwd als een 'windrig concept'. Ook hechtte men geen geloof aan de 'goudbergen' die ontdekt zouden zijn bij Matara.

Samenzwering Op 7 juni 1727 schreven Vuyst en zijn politieke raad een geheime brief aan Batavia over 'een seer gevaarlijke seditieuse beweeging' van het garnizoen van Colombo. Deze scheen echter weer 'ternedergelegt' te zijn, zodat de Raad in Batavia vond dat ze er maar beter niet op konden reageren. In een brief van 30 juni vroeg Vuyst echter in alweer een geheime brief om ontslag, en schreef over 'Ceylons ongeregelden toestand bij sijn ed. aankomst aldaar en de considerabele verbetering van dien onder sijne regering'. Ondanks die verbetering klaagde hij 'geweldig over de boosheit der dienaren, die in plaats van door het straffen der schuldige te werden afgeschrikt integendeel het getal der sondaren nog komen te vermeerderen op een wijse, waarvoor sijn ed. betuygt sijn verstand stil te staan'. In augustus volgde nog een geheime brief 'doorzaayt med arrogante, injurieusse en irreverente expressiën'.

Onder andere de commandeur van Galle, Johan Paul Schaghen, die het gouverneurschap een jaar had waargenomen na de dood van Hertenberg, werd door Vuyst beschuldigd van strafbaar gedrag en valsheid in geschrifte. Hij werd ontslagen en gevangen gezet in het fort van Colombo. Ook de predikanten van Colombo en Galle, Johan Noordbeek en de met de dochter van Hertenberg getrouwde Bartholomeus Teyken, werden ontslagen en begin 1728 naar Batavia gestuurd. Schaghen en negen anderen, waaronder ook de fiscaal Johan de Mauregnauld, werden in december naar Batavia gezonden om berecht te worden.

Vuyst schreef ook rechtstreeks naar de Heren XVII, waarop de Raad van Indië zich beklaagde dat hij zijn functies als raadslid en gouverneur van Ceylon 'schijnt te houden voor een acte van qualificatie om met een weergaloose onbeschaamtheit en dreygende taal syn wettige overigheyt impune te mogen lasteren'.

Er is een, vermoedelijk apocrief, verhaal dat Vuyst toen hij in Ceylon aankwam zijn ene oog had dichtgeplakt, om aan te geven dat hij het bestuur met één oog kon doen. In ieder geval waren er toen al tekenen dat er 'iets met zijn hersens niet in orde was'. Hij gaf blijk van zelfoverschatting en beweerde dat hij Ceylon beter zou besturen dan al zijn voorgangers, 'met Salomo's wijsheid en Vuysts dapperheid'. Dat hij op 17 juli 1727 door de Heren XVII bevorderd was van buitengewoon tot gewoon Raad van Indië zal hem niet op andere gedachten hebben gebracht.

De aanleiding tot de gebeurtenissen die zijn ondergang zouden worden en zijn gouverneurschap volledig overschaduwen was het 'rol-lezen' dat hij in januari 1729 instelde bij de soldaten van de poortwacht. De hele nacht moest iedere twee uur, en ook op onaangekondigde tijden, appèl worden gehouden, waarbij ook degenen die sliepen wakker gemaakt moesten worden. Dit om de soldaten op hun post te houden en nachtelijke inbraken te voorkomen waar hij ook zelf slachtoffer van was geweest. De verstoorde nachtrust leidde tot protest van de soldaten. Op verzoeken om afschaffing van de regel werd echter niet gereageerd, waarop ze weigerden nog te reageren als hun naam bij het lezen van de rol werd genoemd. Als straf kreeg iedere tiende man, of hij nu wacht had gehad of niet, stokslagen en werd opgesloten aan boord van schepen die op de rede lagen.

Dit alles leidde bij Vuyst tot het idee dat er sprake was van een samenzwering. Hij liet meerdere soldaten en burgers martelen met stokslagen en brandende lonten tussen de vingers, en kreeg zo een reeks van vage en tegenstrijdige 'bekentenissen'. Deze bevestigden hem in zijn complotdenken, dat aangroeide tot een theorie over landverraad van soldaten en burgers van Portugese afkomst die van plan zouden zijn hem te vermoorden en het fort van Colombo over te leveren aan de Portugezen in Goa. Dit ondanks dat de commandeur van Malabar, Jacob de Jong, hem in maart schreef dat er nergens Portugese schepen gesignaleerd waren en dat er in Goa maar één schip voorhanden was.

Halverwege het jaar kreeg Batavia berichten van Vuyst dat er een 'grouwelijke conspiratie welke ter verderve van Ceylon en speciaal tot massacre van den gemelte heer Vuyst met de verdere dienaren van den hervormden godsdienst soude wesen gesmeed'. Hij wilde terug naar Batavia om aan een aanslag te ontkomen. De Raad van Indië geloofde het hele verhaal niet en was in grote verwarring over de situatie in Ceylon. Men was bovendien verontwaardigd over de 'choquante, bittere en intolerable expressiën' aan het adres van de Raad in Vuysts brieven. Zo 'lasterlijk, injurieus en onbeschaamd' als de brieven van Vuyst ontving men in Batavia nog nooit.

Krijgsraad Vuyst formeerde een impromptu krijgsraad van ambtenaren, militairen en zeelieden, die opdracht gaf om mensen te arresteren en te onderwerpen aan duimschroeven, geseling en het hangen van gewichten aan handen en voeten om het complot te ontrafelen. Ook Vuyst zelf deed daar soms aan mee. Niemand in de Raad van Colombo durfde in te grijpen. In maart en april ging men over op executies. De meesten werden opgehangen. Degenen die het meest schuldig werden geacht, de luitenant Andries Zwarts en de zeventigjarige burger Benjamin Pegalotty, werden geradbraakt. Hun huizen werden gesloopt en op die plek werd een zogenaamde schandpilaar gezet, ten teken dat hier niet meer gebouwd mocht worden. Dit, en bepaalde martel- en executiepraktijken die waren uitgevoerd, vertoont opvallende gelijkenis met het proces wegens samenzwering en landverraad tegen Pieter Erbervelt in Batavia in 1722, waarvan Vuyst getuige was geweest. Vuyst zelf bleef binnenshuis uit angst voor een aanslag, bewapend met een kapmes en twee pistolen. Hij had het meeste van zijn huisraad al in een schip geladen en wilde bij de eerste gelegenheid weg.