thumb|Gobivenator mongoliensis Gobivenator mongoliensis is een theropode dinosauriër, behorend tot de Maniraptora, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië.

Vondst en naamgeving In 2014 werd de typesoort Gobivenator mongoliensis benoemd en beschreven door Takanobu Tsuihiji, Rinchen Barsbold, Mahito Watabe, Chishigjav Tsogtbaatar, Tsogtbaatar Chinzorig, Yoshito Fujiyama en Shigeru Suzuki. De geslachtsnaam verbindt een verwijzing naar de Gobiwoestijn met een Latijns venator, "jager". De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit Mongolië.

Het holotype, MPC-D 100/86, is bij Dzamin Chond door een Japans-Mongoolse expeditie gevonden in lagen van de Djadochtaformatie, die dateert uit het late Campanien, ongeveer drieënzeventig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een relatief compleet skelet met schedel. Van het skelet ontbreken de snuitpunt, de middelste halswervels, het grootste deel van de onderarmen, het rechterboven- en onderbeen behalve de voet, de linkervoet en de meeste buikribben. Het is het meest volledige fossiel dat van een troödontide uit het Opper-Krijt bekend is; vooral de beenderen van het verhemelte zijn voor het eerst goed bewaard gebleven. Het betreft een jongvolwassen exemplaar.

Beschrijving thumb|upright=1.7|Gobivenator in grootte vergeleken met een mens

Grootte en onderscheidende kenmerken Gobivenator is een vrij kleine soort. Het holotype is van een individu dat ongeveer 160 centimeter lang is. De schedel is achttien centimeter lang, het linkerdijbeen naar schatting 192 millimeter.

De beschrijvers hebben twee unieke afgeleide eigenschappen, autapomorfieën, weten vast te stelen. De vergroeide wandbeenderen vormen aan hun voorste uiteinde een spitse punt. Op het surangulare van de onderkaak bevindt zich vóór de achterste zijopening een groeve. Twee andere mogelijke autapomorfieën, afhankelijk van de precieze fylogenetische positie, zijn de slanke bouw van de takken van het postorbitale en de langgerekte vorm van de achterste chevrons die vooral naar voren verlengd zijn tot 4,5 maal de hoogte van hun wervels.

Skelet Schedel De schedel is zeer langwerpig en in zijaanzicht spits. Van de voorste snuitbeenderen, de praemaxillae, zijn fragmenten bewaard, die tonen dat ze ieder vier tanden dragen. Kennelijk was ook de snuitpunt erg spits; de neusgaten liggen ver voor de uitholling rond de fenestra antorbitalis. Ook het bovenkaaksbeen is afgeplat en langwerpig; zelfs de voorste punt erven helt vrij scherp naar achteren. Boven de kaakrand bevindt zich een berde groeve met aderkanalen. De schedelopeningen in het bovenkaaksbeen zijn overeenkomstig langgerekt. De beenbalk tussen de voorste, driehoekige, fenestra maxillaris en de meer afgeronde fenestra antorbitalis is duidelijk ingesprongen ten opzichte van het niveau van de buitenste beenwand. Het luchtkanaal tussen beide openingen is echter gescheiden van de neusholte door een beenschot. Het aantal maxillaire tanden bedraagt minstens negentien. De voorste maxillaire tanden zijn kleiner en staan dichter opeen dan de middelste. De interne vleugels van de bovenkaaksbeenderen vormen een secundair verhemelte dat de lansvormige voorste punt van de ploegschaarbeenderen van de praemaxillae scheidt. De neusbeenderen zijn vooraan overdwars bol maar vlakken naar achteren af. In bovenaanzicht vernauwt de snuit zich slechts zeer geleidelijk en vooraan zijn de neusbeenderen breder dan middenin. Het traanbeen is T-vormig maar de voorste tak is veel langer dan de overdwars brede achterste tak. Het hoofdlichaam heeft geen uitholling op de buitenste zijkant.

Het voorhoofdsbeen is in bovenaanzicht driehoekig. Boven de oogkas is de rand ervan iets verhoogd en gegroefd; de groeven zetten zich voort over de hoek die aan het postorbitale grenst. De achterrand van het voorhoofdsbeen is duidelijk gewelfd, een gevolg van de typische relatief grote herseninhoud bij de troödontiden. Over de zwelling loopt een opstaande dwarsrand, iets bol krommend naar voren, die de begrenzing vormt voor de uitholling rond het bovenste slaapvenster. Het vlak erachter loopt licht naar beneden af, niet zeer steil zoals bij sommige verwanten. Beide voorhoofdsbeenderen samen hebben achteraan een V-vormige inkeping waarin de punt van de wandbeenderen past.

Het postorbitale is een driestralig element met elegante takken. Onder de oogkas vormt het jukbeen een vrij nauwe beenband. Het quadratojugale is opvallend klein en de opgaande tak ervan raakt de, overigens zelf vrij korte, neergaande tak van het squamosum niet. Het squamosum heeft een grote groeve op de buitenste zijkant. Het quadratum toont een duidelijke knik: de onderste helft van schacht staat vrijwel verticaal maar de bovenste helft draait plots schuin naar achter. De kop van het quadratum ligt tamelijk intern en raakt vermoedelijk de zijkant van de hersenpan bij het prooticum. De kop heeft geen aparte facetten voor het contact met de hersenpan en het squamosum.

Het achterhoofd staat bijna haaks op de lengteas van de schedel en helt dus maar licht naar voren. De belangrijkste centrale achterhoofdelementen, het supraoccipitale, otoccipitale en basioccipitale zijn naadloos versmolten. De zijuitsteeksels, de processus paroccipitales, zijn schuin naar buiten en beneden gericht. De bases ervan zijn bovenop van voor naar achter verdikt in een ruw oppervlak dat met de squamosa een geheel vormt. Het achterhoofdsgat is hoger dan breed. De condylus occipitalis heeft een zwak ingesnoerde nek. De afhangende lobben aan de onderzijde van het achterhoofd, de tubera basilaria, zijn driehoekig van profiel. Ze zijn extreem klein en steken nauwelijks verder naar beneden uit dan de onderrand van de knobbel van de condylus occipitalis.

Op de zijkant van de hersenpan zijn het otoccipitale, het prooticum en het basisfenoïde vergroeid. Het foramen ovale, het foramen vestibuli en de fissura metotica vloeien samen tot een enkele uitholling schuin naar beneden en voren zich de grote groeve van de recessus suboticus bevindt. Daarboven bevindt zich een klein zenuwkanaal, misschien als uitgang van de zevende hersenzenuw die typisch in de grote uitholling ligt. Bij het oor ontbreekt de bovenste opening, de recessus tympanicus dorsalis. Het laterosfenoïde raakt het postorbitale met een lang uitsteeksel dat een groeve heeft aan de voorste onderkant. De kraakbeenschotten die vanuit het wiggenbeen naar voren en naar de oogkassen lopen, zijn niet verbeend. Het voorste, dolkvormige, uitsteeksel van het parasfenoïde heeft een tot een bulla gezwollen basis. Erachter hangen twee lage, in de lengterichting gerekte, processus basipterygoidei en daar weer achter steekt aan beide zijden een vleugel uit die haast de binnenkant van de kop van het quadratum raakt.

Het verhemelte, bij het holotype uitstekend bewaard gebleven, toont enkele basale eumaniraptore trekken en lijkt daarin meer op dat van de Dromaeosauridae en Archaeopteryx. Het verhemeltebeen heeft een lange tak richting pterygoïde en het raakvlak met het pterygoïde is kort. Hoewel de schedel niet de beweeglijkheid, kinesis, van de latere vogels zal hebben bezeten, zien de beschrijvers de volledige reductie van het epipterygoïde en de geringe vergroeiing van de beenderen van het verhemelte als een exaptatie hiervoor. Meer in detail heeft het ploegschaarbeen het gebruikelijke lansvormige profiel vooraan, van welke voorkant twee gepaarde takken naar achteren steken. Iedere tak heeft een in de lengterichting uitgerekt facet voor contact met de voorkant van het pterygoïde. Het verhemeltebeen is een langwerpig vierstralig element met takken naar het jukbeen, het bovenkaaksbeen, het raakpunt van ploegschaarbeen en pterygoïde en ten slotte naar het pterygoïde alleen. De bouw is dus basaal voor theropoden. De tak naar het bovenkaaksbeen is kort en breed. Die naar de achterkant van het ploegschaarbeen steekt naar boeven en midden uit en is haakvormig. De lange dunne tak naar het pterygoïde is aan het uiteinde verbreed; het vlak aan de onderkant dat het pterygoïde raakt, is gegroefd. Het hoofdlichaam van het verhemeltebeen heeft bovenop een ondiepe pneumatische opening. Het pterygoïde is in de lengterichting verlengd. De tak naar het verhemeltebeen is lang en dun. De beide voorste takken van de pterygoïden zijn gescheiden door een grote opening. Het hoofdlichaam is een afgeplatte dunne beenplaat. Een korte zijvleugel raakt de onderkant van het ectopterygoïde dat zelf mede tot aan het hoofdlichaam reikt. Aan de achterkant van het pterygoïde bevinden zich twee uitsteeksels: een kort dat naar achteren en binnen gericht is en een langer dat naar achteren en buiten richting het quadratum loopt. Tussen beide uitsteeksels bevindt zich een inkeping die de voorkant van het basipterygoïde raakt. Een epipterygoíde bovenop ontbreekt. Het ectopterygoïde heeft een grote uitholling in de onderzijde. De binnenrand en achterrand van deze uitholling vormen de raakvlakken met het pterygoïde. Het ectopterygoïde heeft het gebruikelijke haakvormige uitsteeksel richting jukbeen.

Onderkaken De onderkaak is langwerpig met in de achterste zijkant een langgerekt groot venster. Het dentarium heeft aan de buitenkant een horizontale groeve met daarin een rij aderkanalen. Het dentarium draagt minstens negentien tanden. Achteraan staan die in normale tandkassen maar vooraan in een gezamenlijke tandgroeve, een typisch troödontide kenmerk. De interdentaalplaten zijn versmolten tot een enkelvoudige beenwand aan de achterkant van de tandrij. Die wand wordt althans achteraan en in het midden van de rest van de kaak gescheiden door een paradentale groeve. Achteraan ligt de bovenrand van de kaak hoger aan de buitenzijde van de tanden; vooraan ligt het niveau gelijk. Het spleniale ondersteunt het dentarium aan de binnenkant maar is ook van de buitenzijde zichtbaar doordat het dentarium zich in zijn achterste onderhoek niet tot aan het angulare voortzet: de beenwand valt daar weg zodat een vrij groot driehoekig oppervlak van het spleniale ontbloot wordt, een kenmerk dat ook Zanabazar heeft. Het spleniale heeft daar een goed ontwikkeld facet voor articulatie met het angulare, vermoedelijk een middengewricht vormend zodat de kaak naar bezijden kan uitklappen teneinde een prooi beter naar binnen te kunnen werken. Op de achterste bovenrand van de kaak is een apart coronoïde aanwezig, zij het slechts in de vorm van een beensplinter die tussen het surangulare en het prearticulare geklemd is. Het surangulare, het bovenste bot van de achterste buitenkant van de kaak, is bovenop uitgehold met daaronder een zijwaarts uitstekende beenrichel, alles voor de aanhechting van de sluitspier. Onder de richel bevindt zich een horizontale groeve die naar achteren uitloopt in een kleine opening in de beenwand, het foramen surangulare. Het holle onderste vlak van het kaakgewricht dat articuleert met het quadratum van de schedel, loopt van het articulare naar voren door over het surangulare. De achterste bovenkant van het articulare is verbreed voor aanhechting van de musculus depressor mandibulae die de onderkaak opent.

Alle tanden, van bovenkaken en onderkaken, hebben snijranden zonder kartelingen. De tandkronen zijn lansvormig met een verbreding van voor naar achter en een lichte insnoering aan de onderkant.

Postcrania