Mayken Verhulst (Mechelen, 1518 – aldaar, 1600) was een Zuid-Nederlandse schilder gespecialiseerd in waterverfschilderijen.
Leven en werk Mayken Verhulst Bessemers was een dochter uit een gezin van elf van de schilder Pieter Verhulst Bessemers. Ze werd geboren in 't Vliegend Peert in Mechelen, tegenwoordig bekend als museum Het Zotte Kunstkabinet. Zij was het tweede of derde kind en in ieder geval de oudste dochter. Haar precieze geboortejaar is niet bekend. Aangenomen wordt dat ze rond 1518 werd geboren. Al haar broers werden opgeleid tot schilder en het is zeer waarschijnlijk dat dat ook gold voor Mayken. Zijzelf, en al haar zussen zouden met schilders trouwen, in haar geval was dit Pieter Coecke van Aelst.Adolf Monballieu, 'De kunstenaarsfamilie Verhulst Bessemeers', Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen 78 (1974), pp. 105-121 (vooral p. 116), Jan Op de Beeck, Mayken Verhulst (1518-1599) – De turkse Manieren van een artistieke Dame (tent. cat. Museum Het Zotte Kunstkabinet, Mechelen 2005), pp. 7-13
Ze is voor het eerst gedocumenteerd in 1538. Op 3 november van dat jaar laat ze beslag leggen op de bezittingen van Cornelis de boekbinder die haar 5 pond (5 lb) schuldig is voor achterstallige huishuur. Als beroep wordt bij haar naam “boeckprinter” genoemd.In het betreffende document werd ze eerst “boeckbinder” genoemd, maar dat wordt is vervangen door “boeckprinter”. Zie Edmond Roobaert, Kunst en kunstambachten in de 16de eeuw te Brussel (Archief- en bibliotheekwezen in België – extra nummer 74), Brussel 2004, p. 37 Niet lang daarna zal ze zijn getrouwd, rond 1539, met Pieter Coecke van Aelst (1502-1550), een schilder afkomstig uit Aalst (Oost-Vlaanderen). Ze was diens tweede vrouw. Coecke huwde een eerste maal met de dochter van een andere schilder, namelijk met Anna van Doornicke. Zij overleed reeds in 1528. Pieter en Mayken woonden aan de Lombardenvest in Antwerpen.Op de Beeck, op. cit. (noot 2), p. 13 en Jan Op de Beeck, 'Pieter Bruegel, Mayken Verhulst en Mechelen', in: De Zotte Schilders. Moraalridders van het penseel rond Bosch, Bruegel en Brouwer (tent. cat. Centrum voor Oude Kunst, 't Vliegend Peert, Mechelen), pp. 17-29 Het is wellicht niet toevallig dat Pieter Coecke vanaf 1539 ook boeken ging vertalen. In dat jaar vertaalde hij de eerste twee van verschillende traktaten over architectuur, bewerkingen van publicaties van de Italiaan Sebastiano Serlio: Die inventie der colommen en Generale regelen der architecturen.Herman de la Fontaine Verwey, ‘Pieter Coecke van Aelst en de uitgaven van Serlio’s architectuur boek’, Het Boek, serie 2, jaargang 31, (1952-1954), pp. 251-270 en Rudi Rolf, Pieter Coecke van Aelst en zijn architectuuruitgaves van 1539, Amsterdam 1978 Ontmoetten de twee elkaar in de kringen van boekdrukkers en -uitgevers? En was Mayken op die manier een aanwinst voor het kunstbedrijf van Pieter Coecke? Het is niet onwaarschijnlijk dat zij op enigerlei wijze een rol speelde in het Coecke atelier, maar helaas hebben we daarvoor geen enkele aanwijzing. Wel weten we dat ze in de iets meer dan tien jaar die haar huwelijk duurde, vijf kinderen kreeg.
Pas na het overlijden van haar man op 6 december 1550 vinden we Mayken weer terug in de archieven. Zij blijkt het beheer van het familiekapitaal op zich genomen te hebben. Zo kocht zij in 1551 of 1552 een jaarlijkse rente voor haar (wettige) kinderen uit haar huwelijk met ‘Meester Peeter Coecke alias van Halst’ ten laste van de vorstelijke domeinen in het kwartier Brussel.De jaarlijkse uitbetalingen tot vlak voor haar dood zijn goed gedocumenteerd. Zie Roobaert, op. cit. (noot 3), p. 45. Ze kocht ook rente op panden in Antwerpen op 27 juli 1551. Nog op 7 november 1599 ‘kavelt’ haar kleinzoon Pieter Brueghel de Jonge een rente, die ooit door haar was gekocht. Zie Archiefdocumenten, FelixArchief, Antwerpen, SR 242 WG I f 312v en SR 434 MN I f 132v, gepubliceerd in: Godelieve Van Hemeldonck, Kunst en Kunstenaars. Notities betreffende beeldhouwers, geelgieters, tafereelmakers, tapijtwevers, borduurders, schilders. Met bijlagen over opleidings- en arbeidscontracten, kunstinventarissen, kunsthandel, beeldekensafzetters en wandtapijten, Antwerpen 2007 (typescript): https://felixarchief.antwerpen.be/detailpagina?invnr=79_3&page=1&pageSize=10&type=master. Gearchiveerd op 25 juli 2024. Ook verzorgde zij in 1553 een heruitgave van een van haar mans boeken over architectuur. Zij verzoekt op 20 maart 1553 ‘octroy oft commissie om te moegen prenten’ en dat wordt op 29 april ingewilligd.Lode van den Branden, ‘Druckoctrooien tot 1600’, De Gulden Passer, 68 (1990), p. 37, no. 168 Onder datzelfde octrooi viel waarschijnlijk een uitgave uit datzelfde jaar, waarvoor Mayken meer bekendheid geniet. Dit is een van gesneden houtblokken gedrukt fries, Ces moers & fachons de faire de Turcz (‘De zeden en gewoonten der Turken’).https://www.britishmuseum.org/collection/object/P_E-6-1-7. Gearchiveerd op 25 juli 2024. Het volledige fries, gedrukt van niet minder 14 houtblokken, meet bijna vijf meter.Op de Beeck, op. cit. (noot 2), pp. 39-45 en Nadine Orenstein 'Customs and Fashions of the Turks' in Grand Design: Pieter Coecke van Aelst and Renaissance Tapestry (tent. cat. Metropolitan Museum of Art, New York 2014), pp. 176-186 Zoals uit het colofon duidelijk wordt, was deze houtsnede gebaseerd op tekeningen die Pieter Coecke in 1533 tijdens een reis naar Constantinopel, het huidige Istanboel, had gemaakt. Aan de hand van die schetsen componeerde hij dit fries, dat hij zelf op de houtblokken tekende ter instructie van een professionele houtsnijder.De titel en het colofon zijn te vinden op de twee ‘panelen’ die het eigenlijke fries aan beide zijden flankeren. Links van het fries: "Ces moeurs & fachons de faire de Turcz avecq' les Regions y appartenantes, ont este au vif contrefaictez par Pierre Coeck van Alost, luy estant en Turquie, l'An de Iesuchrist M.D. 33., Lequel aussy de sa main propre a pourtraict ces figures duysantes à l'impression d'ycelles". En rechts: "Marie verhulst vesue dudict Pierre d'Alost trepassé en l'An M.D.L. a faict imprimer lesdictes figures, soubz Grace & Priuilege de l'Imperialle Maieste. En l'An .M.CCCCC.LIII". Langs de rand onder ieder scene zijn nog teksten in Frans toegevoegd met uitleg. Zie https://www.britishmuseum.org/collection/object/P_E-6-1-7. Gearchiveerd op 25 juli 2024. Het project bleef onvoltooid bij Pieters dood en zijn weduwe deed de prent het licht zien. Klaarblijkelijk was een flink deel van de investering voor deze publicatie reeds gedaan (de aanschaf van de houtblokken en mogelijk het inhuren van een houtsnijder). Het zou derhalve kapitaalvernietiging zijn om het onvoltooide project niet tot een goed einde te brengen.We moeten hier een waarschuwing van de prenthistoricus Michael Bury ter harte nemen, die hij uitte naar aanleiding van dergelijke grote houtsneden in Venetië: “Until we are prepared to understand the commercial nature of these complex verntures, the great Venetian woodcuts of the early sixteenth century will be missinterpreted.” Zie Michael Bury, “The Triumph of Christ after Titian”, The Burlington Magazine, 131 (1989), p. 197. Eén van dergelijke Venetiaanse friezen in houtsnede, De Triomf van Christus van rond 1515, werd gekopieerd en eerst uitgegeven in 1543 door Joos Lamprechts in Gent en later door de weduwe van Cornelis Lieferinck in Antwerpen iets daarna. Wellicht kreeg Pieter Coecke hierdoor inspiratie. Zie Michelangelo Muraro en David Rosand, Tiziano e la silografia Veneziana del Cinquecento, Vicenza 1976, pp. 74-76 en Gert Jan van der Sman, De eeuw van Titiaan (tent. cat. Bonnefanten Museum, Maastricht en Stedelijke Musea, Arentshuis, Brugge 2002-2003), p. 92 en https://www.britishmuseum.org/collection/object/P_1930-0414-40. Gearchiveerd op 24 september 2023.
Daarnaast wordt Mayken op 5 december 1551 genoemd, omdat ze er zorg voor droeg dat de oudste zoon van Pieter Coecke uit diens eerste huwelijk, ook Pieter genaamd, zijn erfenis kreeg: “Peeter COECKE van AELST ontvangt van zijn moeder Maria Verhulst weduwe Peeter COECKE van AELST, zijn vaderlijke nalatenschap.”Archiefdocument in FelixArchief, Antwerpen: SR 243 WG II f 34v. Zie Van Hemeldonck, op. cit. (noot 6) Als er al sprake was van het voortzetten van het atelier van Pieter Coecke na diens dood, zou het meest waarschijnlijke scenario zijn, dat dat gebeurde door deze Pieter de Jonge, de oudste zoon, die ook nog tot schilder was opgeleid. Hij zou bovendien in 1552 een leerling in laten schrijven in het schildersgilde, Dilken de la Heele.Philippe Rombouts & Théodore Van Lerius, De Liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche Sint Lucasgilde, 2 delen, Antwerpen en Den Haag 1864-1876, deel 1, p. 182. Zie ook Georges Marlier, La Renaissance flamande. Pierre Coeck D’Alost, Brussel 1966, pp. 47-48 Een verdere transactie waarbij Mayken betrokken was vond in 1553 plaats. Op 18 juli werd namelijk de inboedel ten huize van Peter Coecke van Aelst geschat op 103 lb. 6 sc. En op 4 juni 1554 worden schilderijen van "wylen Peters van Aelst, schilder", verkocht voor 43 lb 19 sc.Roobaert, op. cit. (noot 3), p. 42 Ze werd op 11 april 1600 in haar geboorteplaats Mechelen begraven, waar ze dan inmiddels al weer zo’n veertig jaar gewoond lijkt te hebben.Elizabeth A. Honig, Jan Brueghel and the Senses of Scale, University Park 2016, p. 9
Veruit de meeste faam geniet Mayken Verhulst, omdat ze de schoonmoeder was van Pieter Bruegel de Oude; hij trouwde namelijk in 1563 met haar dochter Mayken Coecke. De ondertrouw werd op 25 juli 1563 aangekondigd in Antwerpen en het huwelijk werd ingezegend in Brussel snel daarna, waarschijnlijk in augustus.Jean Bastiaensen, ‘De verloving van Pieter Bruegel de Oude. Nieuw licht op de Antwerpse verankering’, Openbaar Kunstbezit Vlaanderen 51 (2013), deel 1, 26-27 Daardoor werd Pieter Coecke van Aelst postuum Pieter Bruegel schoonvader. Volgens Pieters biograaf Karel van Mander, over wie hieronder meer, had Pieter zijn latere vrouw ‘nog dickwijls op den arem ghedraeghen’ toen hij bij zijn leermeester inwoonde.Karel van Mander, Het Schilder-Boeck, Haarlem 1604, fol. 233r Het waren waarschijnlijk de bemoeienissen van Mayken Verhulst die ervoor zorgden dat Pieter Bruegel rond zijn huwelijk naar Brussel verhuisde. Volgens dezelfde Van Mander ging hij haar dochter het hof maken (‘werdt hy te vrijen haar dochter’), toen Mayken Verhulst zelf kort daarvoor naar Brussel verhuisd was. Voorwaarde van zijn toekomstige schoonmoeder voor het huwelijk was, dat hij weg moest uit Antwerpen om een eerdere liefde te vergeten.Van Mander, op. cit. (noot 17), fol. 233v Recente archiefsprokkelingen lijken dit te bevestigen.Bastiaensen, op. cit. (noot 16) In Brussel zouden ook Pieter Bruegels zonen, Pieter Brueghel de Jonge en Jan Brueghel de Oude, en diens dochter, Maria, geboren worden, de kleinkinderen van Mayken Verhulst.