Hangmat (HR 8 oktober 2010, NJ 2011/465; ) is een belangrijk arrest van de Nederlandse Hoge Raad van 8 oktober 2010 inzake aansprakelijkheid van (mede)bezitters voor een gebrekkige opstal. Het wordt in de rechtswetenschap en rechtspraktijk als standaardarrest beschouwd.
Casus en procesverloop A. heeft op 13 juli 2005 in haar tuin een hangmat opgehangen aan een gemetselde pilaar. Nadat zij in die hangmat is gaan liggen is de pilaar kort boven de grond afgebroken en over haar heen gevallen, ten gevolge waarvan zij een hoge complete dwarslaesie en een gebroken kaak, neus, jukbeen, oogkas en rib heeft opgelopen. Zij zal haar armen en benen nooit meer kunnen gebruiken en is voor de rest van haar leven rolstoelgebonden en van de hulp van derden afhankelijk.Rb. 's-Hertogenbosch 21 januari 2009, NJF 2009, 105, r.o. 2.2. A. en B. zijn op 24 augustus 2005 (in het ziekenhuis) in het huwelijk getreden.
A. en B. zijn gezamenlijk eigenaar van de pilaar. Op advies van haar adviseur besluit A. haar echtgenoot aan te spreken, niet omdat zij hem enig verwijt maakt, maar omdat hij bezitter is van de pilaar (een opstal) en aldus jegens haar aansprakelijk is. A. en B. hebben ten behoeve van hen beiden een Aansprakelijkheidsverzekering voor Particulieren afgesloten bij Achmea, zodat een eventueel door B. te betalen schadevergoeding door Achmea vergoed zal moeten worden., 'Een eenvoudige casus stelt het recht voor problemen', Nederlands Juristenblad 2010, 1691.
Op 21 februari 2008 dagvaardt A. zowel haar echtgenoot B. als Achmea Schadeverzekeringen N.V. voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en vordert (1) een verklaring voor recht dat B. jegens haar aansprakelijk is en (2) een hoofdelijke veroordeling van B. en Achmea tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat. A. baseert haar vordering op B. op artikel 6:174 lid 1 BW. Deze bepaling luidt:
De vordering op Achmea is gebaseerd op artikel 7:954 BW.
Rechtsvraag Is de (mede)bezitter — hier: B. — van een gebrekkige opstal uit hoofde van art. 6:174 aansprakelijk voor de schade die een andere medebezitter — hier: A. — als gevolg van dat gebrek lijdt? (Ja.)
Beoordeling door de rechtbank De rechtbank 's-Hertogenbosch beantwoordt de vraag of een bezitter zijn medebezitter aansprakelijk kan stellen op grond van artikel 6:174 BW bevestigend en stelt de te vergoeden schade op 50%. De andere helft moet A. zelf dragen. De rechtbank beveelt bij tussenvonnis een comparitie van partijen, bepaalt dat van het vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen en houdt iedere verdere beslissing aan.Rb. 's-Hertogenbosch 21 januari 2009, NJF 2009, 105, (Hangmat).
Achmea c.s. stellen sprongcassatie in tegen het tussenvonnis. A. stelt incidenteel beroep in cassatie in.
Beoordeling door de Hoge Raad Achmea c.s. richten zich in cassatie tegen het oordeel van de rechtbank dat A. zich jegens hen kan beroepen op aansprakelijkheid van art. 6:174. Zij stellen dat art. 6:174 uitsluitend een risicoaansprakelijkheid vestigt jegens derden, en dus niet ook jegens (mede)bezitters.
De Hoge Raad formuleert eerst de kernvraag:
De Hoge Raad beantwoordt in dit arrest dus een kwestie waar de wetgever niet aan heeft gedacht. Bij de totstandkoming van het wetsartikel is alleen aandacht geschonken aan de positie van een buitenstaander die schade oploopt door een ondeugdelijke onroerende zaak. Voor de hier opgeworpen vraag of de ene mede-bezitter ook jegens een andere mede-bezitter aansprakelijk zou kunnen zijn is er in de wetgevingsgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt te vinden. Het is alleen nergens 'uitgesloten' en dat gebruikt de Hoge Raad als opening. Dit arrest is een goed voorbeeld van de 'rechtsvormende' taak van het college. De overweging somt op welke belangen in aanmerking worden genomen (benadeelde, bezitter en verzekeraar) en maakt duidelijk dat het hier om een redelijkheidsoordeel gaat, gebaseerd op maatschappelijke opvattingen, zoals de Hoge Raad die ziet. Het arrest vervolgt dan:
Ten aanzien van het gedeelte dat nu werkelijk vergoed moet worden stelt de Hoge Raad het volgende:
Het middel kan niet slagen.
A. richt zich in cassatie tegen het oordeel van de rechtbank dat Achmea c.s. in geen geval voor meer dan 50% van de geleden schade aansprakelijk zijn. Daartoe overweegt de Hoge Raad:
De Hoge Raad verwerpt beide beroepen. Achmea heeft de zaak snel na het wijzen van het arrest met A. geschikt., 'Kroniek kwalitatieve aansprakelijkheid voor personen en zaken', AV&S 2012/3, nr. 3.1. Een schadestaatprocedure is daarom uitgebleven.
Conclusie en relevantie De beantwoording van de vraag of de bezitter van een gebrekkige opstal aansprakelijk is voor schade geleden door een medebezitter beantwoordt de Hoge Raad bevestigend, met dien verstande dat het slachtoffer de schade zelf moet dragen voor het deel dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (A.L.M. Keirse), Deventer: Kluwer 2012, nr. 112.
Ton Hartlief vroeg zich in zijn noot onder het arrest af of de aansprakelijkheid van de bezitter tegenover zijn medebezitter ook zal gelden in geval van artikel 6:173 (aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken) en artikel 6:179 (aansprakelijkheid voor dieren). Gelet op de wetsgeschiedenis, de maatschappelijke opvattingen en ieders belangen (dezelfde maatstaven die de Hoge Raad in deze zaak hanteert) stelde hij dat de Hoge Raad zeer waarschijnlijk tot dezelfde uitkomst zou komen.De literatuur was hierover verdeeld. Zie F.T. Oldenhuis en A. Kolder, 'Kroniek kwalitatieve aansprakelijkheid voor personen en zaken', AV&S 2012/3, nr. 3.1. In 2016 oordeelde de Hoge Raad echter in het arrest Manegepaard Imagine (HR 29 januari 2016, ) dat de Hangmat-jurisprudentie niet van toepassing is tussen medebezitters van dieren. Waar artikel 6:174 ziet op bescherming tegen een verborgen gebrek, beschermt artikel 6:179 tegen een aan het dier inherent en dus 'steeds kenbaar' gevaar. Van de medebezitters van een dier kan dan ook eerder verwacht worden dat zij een ongevallen- of arbeidsongeschiktheidsverzekering afsluiten, aldus de Hoge Raad.T. Hartlief, annotatie bij HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162, NJ 2016/173 onder 9 en 15. Hartlief acht het waarschijnlijk dat de Hoge Raad die lijn zal doortrekken naar aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken (artikel 6:173).
Categorie:Nederlands arrest (burgerlijk recht)