Monolophosaurus is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Tetanurae, dat tijdens het middelste Jura leefde in het gebied van de Volksrepubliek China.

Het eerste fossiel van Monolophosaurus werd in 1981 ontdekt in een verlaten woestijn. Het geslacht kreeg in 1994 zijn naam, die zoiets als "enkelvoudigekamsauriër" betekent toen de typesoort Monolophosaurus jiangi benoemd werd. Van Monolophosaurus is maar één skelet gevonden. Dat is echter nogal volledig zodat de wetenschappers een goed beeld kregen van de bouw van het dier.

Monolophosaurus werd een kleine zes meter lang en een halve ton zwaar. Op de middenlijn van de snuit stond een opvallende hoge kam die vermoedelijk diende om indruk te maken op andere dinosauriërs. Omdat de armen en achterpoten niet zijn teruggevonden, is het niet duidelijk hoe snel Monolophosaurus precies was en op welke dieren hij joeg. Aangezien Monolophosaurus een erg oude soort is, uit een tijdvak waarvan verder weinig complete theropode fossielen bekend zijn, geven de details van zijn botten belangrijke informatie over de vroege evolutie van de Tetanurae. Het gebrek aan andere fossielen betekent ook dat het onzeker is wie zijn nauwste verwanten zijn.

Vondst en naamgeving In 1981 werd door Dong Zhiming, als deel van het Petroleum Stratigraphic Team van het Xinjiang Petroleum Bureau in de provincie Xinjiang, bij Jiangjunmiao, een verlaten pleisterplaats in de Gurbantungguwoestijn, een skelet ontdekt van een nog onbekende theropode. De vondst werd door het Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology opgegraven tot en met 1984. In 1987 werd in de pers naar de vondst verwezen als "Jiangjunmiaosaurus". In 1992 meldde Dong Zhiming de soort als Monolophosaurus jiangjunmiaoi en in 1993 Wayne Grady als Monolophosaurus dongi. In alle drie de gevallen gaat het om onbeschreven nomina nuda. thumb|Het holotype zoals verzonken in schuimplastic In 1994 benoemden en beschreven Zhao Xijin en Philip John Currie de typesoort Monolophosaurus jiangi. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse μόνος, monos, "alleen", en λόφη, lophè, "kam", een verwijzing naar de enkelvoudige kam op de snuit. De soortaanduiding verwijst naar de ruïnestad en verlaten pleisterplaats Jiangjunmiao, de "tempel (miao) van de generaal (jiangjun)".

Het holotype, IVPP 84019, is gevonden in het Junggarbekken, in een laag van de Wucaiwanformatie die dateert uit het Bathonien-Callovien. Het bestaat uit een vrij volledig skelet met schedel, onderkaken, een aaneengesloten wervelkolom en het complete bekken. Alleen de staart van de wel bewaarde zesde wervel af, de schoudergordel en de ledematen ontbreken. Het betreft gezien de vergroeiing van de beenderen een volwassen of althans jongvolwassen exemplaar. De oorspronkelijke beschrijving was erg kort; in 2010 werden de schedel en de postcrania in twee aparte publicaties in detail beschreven. Dit werd bemoeilijkt doordat het holotype om het geschikt te maken voor reizende tentoonstellingen met de linkerzijde in een hard schuimplastic is gevat.

In 2006 stelde Thomas Carr na het uitvoeren van een analyse waarin beide taxa als zustersoorten uitvielen, dat Guanlong wucaii, een theropode uit dezelfde formatie die ook een snuitkam heeft, weleens het jong van Monolophosaurus zou kunnen zijn. Dit heeft echter weinig bijval gevonden daar beide soorten op details sterk verschillen, te veel dat het eenvoudig als het resultaat van een rijpingsproces verklaard kan worden. In 2010 benoemde Gregory S. Paul in verband daarmee een Monolophosaurus wucaii; als de taxa als aparte zustersoorten gehandhaafd blijven, is er een groter verschil in bouw aannemelijk. Ook dit heeft echter geen navolging gevonden daar Guanlong meestal als een lid van Tyrannosauroidea uitvalt.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken

Monolophosaurus is een middelgrote roofsauriër. Zijn lichaamslengte is geschat op 571 centimeter. In 2010 schatte Gregory S. Paul het gewicht op 475 kilogram.

De verschillende beschrijvers hebben een aantal onderscheidende kenmerken weten vast te stellen. De snuit draagt op de middenlijn een grote kam die van voren gevormd wordt door de praemaxillae en naar achteren doorloopt over de neusbeenderen en traanbeenderen tot aan de voorkant van de voorhoofdsbeenderen. De bovenrand van de kam loopt evenwijdig aan de kaakrand. De opgaande takken van de praemaxillae zijn ieder naar achteren gevorkt. De zijkant van de praemaxilla heeft een diepe groeve die loopt van een foramen op de opgaande tak naar een foramen onder het neusgat. Aan de bovenste achterzijde van de uitholling voor het neusgat bevinden zich twee pneumatische openingen van ongelijke grootte. Het traanbeen heeft op de tak die boven de oogkas loopt een opvallend hamervormig uitsteeksel naar boven en bezijden wijzen. De voorhoofdsbeenderen zijn samen rechthoekig, met een verhouding van 1,67 veel langer dan breed.

Skelet thumb|Een model van schedel en onderkaken

Schedel De schedel heeft een lengte van tachtig centimeter. Op zichzelf is de schedel vrij langwerpig, maar dat wordt verhuld door zijn meest opvallende kenmerk: een grote snuitkam die zich van de voorste punt over driekwart van de lengte naar achteren voorzet tot boven de oogkas. Hoewel de snuitpunt bol naar achteren kromt, ligt het bovenprofiel van de kam horizontaal, wat in zijaanzicht een hoge schedel suggereert. Het neusgat is groot en zeer langwerpig met een lengte van twintig centimeter. Het heeft de vorm van een afgeronde driehoek en is hoog gelegen, net onder de kam, en bijna horizontaal gepositioneerd. Voor een vrij basale theropode is het uniek dat het neusgat een kwart van de schedellengte beslaat. Gelijkende neusgaten tonen alleen de meer afgeleide Guanlong en Proceratosaurus. De grootste schedelopening is de fenestra antorbitalis, ook in de vorm van een afgerond driehoek die echter met 162 millimeter korter is en met een achterste hoogte van 106 millimeter een stuk stomper. De oogkas heeft een hoogte van dertien centimeter en is bovenaan bijna cirkelvormig met een diameter van negen centimeter, maar eindigt onderaan in een sterk versmallende diepe punt. Het onderste slaapvenster helt iets naar achter en heeft een hoogte van 143 millimeter. Het wordt van achteren ingesnoerd tot een breedte van vijf centimeter waardoor twee lobvormige onderverdelingen ontstaan, de bovenste met een lengte van vierenvijftig millimeter, de onderste met een lengte van acht centimeter. Het bovenste slaapvenster in het schedeldak heeft een breedte van achtenzeventig millimeter en een binnenste lengte, in de richting van de lichaamsas, van tweeëndertig millimeter en een buitenste van eenenzeventig millimeter.

Als we afzien van de kam, is het voorste snuitbeen, de praemaxilla, langer dan hoog. De eigenlijke snuitpunt loopt over een groot stuk vrijwel verticaal, iets naar voren hellend. Het buigpunt naar achteren is pas na tweeënnegentig millimeter, ter hoogte van het neusgat, hoger dan bij enig ander bekend basaal theropode taxon. Er is een bijna verticale en sterk verzonken beennaad tussen de praemaxilla en de maxilla, het bovenkaaksbeen. Helemaal aan de bovenkant van dit raakvlak echter steekt een zeer dunne maxillaire tak van de praemaxilla tussen het bovenkaaksbeen en het neusgat vijf centimeter naar achteren. De opgaande tak van de praemaxilla, die de voorste basis van de kam vormt, is uniek doordat hij gevorkt is en aan de zijkant van de kam een laterale punt van het neusbeen omvat. De bovenste "tand" van die twaalf centimeter lange vork is de grootste en vormt een driehoekige punt; de onderste is smaller en vingervormig. Bij de oorspronkelijke beschrijving uit 1993 werd dit kenmerk over het hoofd gezien. De zijwand van de praemaxilla is ruw, voorzien van groeven en putjes. Onder de opgaande tak wordt de beenwand doorboord door een klein foramen, zoals bij veel theropoden. Een tweede, groter en ovaal, foramen bevindt zich onder het neusgat, precies op de grens tussen praemaxilla en maxilla. Tussen beide foramina loopt een duidelijk afgetekende lange groeve die zich rond het neusgat buigt. Dit kenmerk is uniek. Het suggereert sterk dat er bij het ene foramen iets naar buiten kwam dat bij het andere weer naar binnen ging, maar het is onbekend wat. Het neusgat heeft op de wand van de praemaxilla geen omringende uitholling. Ook de zijkant van de snuitkam is ruw met vooraan horizontale inkervingen, achteraan meer schuin naar achteren boven lopende. De praemaxilla draagt vier tanden waarvan de eerste verreweg de kleinste is. De tanden overlappen elkaar niet. De interdentaalplaten zijn onvergroeid, kort en driehoekig.

Het bovenkaaksbeen is veertig centimeter lang. Het is vooraan vrij hoog, vijfenzestig millimeter, maar anders dan bij veel basale theropoden neemt de hoogte naar de achterkant toe maar weinig af waar die nog steeds vijf centimeter bedraagt. Er is een duidelijke voorste tak met een vierkante omtrek, negen centimeter lang en tweeënnegentig millimeter hoog. Het bovenkaaksbeen draagt vier centimeter bij aan de rand van het neusgat. Boven de tandrij loopt een rij aderkanalen; de grootste foramina, vooraan, hebben een diameter van vijf millimeter. De opgaande tak, niet gepneumatiseerd, steekt onder een hoek van 45° schuin naar achteren. Na 102 millimeter buigt de tak horizontaal naar achteren en zet zich voor vierenzestig millimeter voort totdat het traanbeen bereikt wordt. De tak heeft hier aan de achterrand een inkeping waarmee met het traanbeen contact gemaakt wordt; de rand daarvan wordt daarbij overlapt. De buitenwand van de opgaande tak overhangt de voorrand van de uitholling voor de fenestra antorbitalis licht; naar boven toe, bij het buigpunt, vloeien buitenwand en binnenwand uiteindelijk samen zodat de inkeping door de overhang gesloten wordt. Meer naar achteren zet de uitholling zich naar boven voort op het traanbeen en neusbeen. Tussen de buitenwand en de fenestra zelf liggen maar zesenveertig millimeter zodat er geen heel brede voorrand is. Ook de onderrand van de uitholling is smal en verdwijnt bijna ter hoogte van de achtste maxillaire tand. In de voorzijde van de uitholling bevindt zich een enkelvoudige kleine opening op de normale positie van de fenestra promaxillaris. De opening lijkt van binnen gesloten te zijn en dus wellicht geen echt venster te vertegenwoordigen. Er is verder geen opening achter een overlappende rand van de zijwand, op welke positie zich soms de fenestra maxillaris bevindt; het is dus niet uitgesloten dat het om dit venster gaat.

In het bovenkaaksbeen staan dertien maxillaire tanden. Aan de buitenkant hebben die lage horizontale rimpels. De beenwand aan de buitenkant van de tanden steekt verder uit dan die van de binnenkant. Daar bevinden zich vrij lage en onvergroeide interdentaalplaten. Door zware restauratie van het holotype is verder niets betrouwbaars over de tanden te zeggen. thumb|380px|Wellicht was de kam van Monolophosaurus felgekleurd ter versterking van een signaalfunctie. Overigens dient de begroeiing in deze illustratie niet te serieus te worden genomen: loofbomen waren ten tijde van het Jura nog niet geëvolueerd