Honden Peter of Medeplichtigheid door nalaten (HR 12 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8966) is de roepnaam van een op 12 december 2000 door de Nederlandse Hoge Raad gewezen arrest inzake medeplichtigheid bij doodslag door nalaten (ook wel 'passieve medeplichtigheid' genoemd). Uit het arrest volgt dat niet alleen het bestaan van een wettelijke of uit een overeenkomst voortvloeiende zorgplicht, maar ook voorafgaand handelen een rechtsplicht kan doen ontstaan om een misdrijf te beletten.

Casus De verzoeker in cassatie, A.T.H., woonde samen met twee andere mannen, beiden Peter genaamd. Ter onderscheiding wordt het slachtoffer, Peter S., ook wel 'slome Peter' genoemd, en de hoofddader, Peter L., 'honden Peter'.Concl. A-G onder punt 5. Peter. S zorgde voor A.T.H., omdat deze geen uitkering meer kreeg. In de periode van 1 september 1997 tot en met 14 januari 1998 heeft A.T.H. het slachtoffer meermalen met een stok en met zijn handen geslagen. Eenmaal heeft hij het slachtoffer met een stanleymes in het gezicht gesneden. In de periode van 15 tot en met 22 januari 1998 heeft verzoeker het slachtoffer met een losgeraakte trapleuning geslagen, zodanig dat deze laatste in ieder geval de laatste twee weken van zijn leven niet meer heeft kunnen lopen en incontinent is geworden.

Op de dag van overlijden van het slachtoffer hoorde A.T.H. het slachtoffer huilen, nadat Peter L. hem met cowboylaarzen had geschopt en was weggegaan. In plaats van het slachtoffer te helpen heeft hij de deur van zijn kamer dichtgedaan en zijn stereo harder gezet om het huilen te overstemmen. Toen L. terugkwam, begon hij het slachtoffer weer te schoppen. A.T.H. vermaande hem zachter te doen, omdat iedereen hem kon horen. Het slachtoffer is vervolgens achtergelaten op het toilet en overleden.

Rechtsvraag Is iemand medeplichtig aan een misdrijf door nalaten, oftewel passieve medeplichtigheid (Ja, onder dergelijke omstandigheden kan een zorgplicht ontstaan, waardoor het nalaten van ingrijpen kan leiden tot medeplichtigheid aan het misdrijf.)

Procesgang Peter L. werd veroordeeld wegens doodslag. A.T.H. werd vervolgd wegens medeplichtigheid aan die doodslag (art. 48 en 287 Sr). Op grond van artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht worden als medeplichtige gestraft: zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf; zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf

Verdachte werd voor het tweede punt vervolgd, te weten het opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Voor medeplichtigheid in de vorm van niet-handelen is vereist dat handelen geboden is, met andere woorden, dat er een zorgplicht is.J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 471.

Hoge Raad In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem verzoeker ter zake van 1 subsidiair 'medeplichtigheid aan doodslag', 2 'zware mishandeling' en 3 'mishandeling, meermalen gepleegd' veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren. Verzoeker stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

In cassatie werd namens verzoeker aangevoerd dat verzoeker geen zorgplicht had. Uit de jurisprudentie bleek namelijk dat deze zorgplicht uit een bepaalde hoedanigheid moet voortvloeien:

De Hoge Raad stelde voorop dat het hof bij de kwalificatiebeslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd waarom het van oordeel was dat de vraag of, bij gebreke van een bijzondere rechtsplicht, van medeplichtigheid kon worden gesproken. Het hof overwoog namelijk:

De Hoge Raad oordeelde dat de klacht faalde, omdat het gebrek in de motivering niet tot cassatie hoefde te leiden, nu het hof had vastgesteld dat verzoeker wist dat het slachtoffer volstrekt weerloos was, die weerloosheid door verzoeker was veroorzaakt, en dus "kennelijk en terecht [heeft] geoordeeld dat daardoor op [verzoeker] de rechtsplicht was komen te rusten om het slachtoffer te beschermen tegen het door L. in de woning van de verdachte en in diens bijzijn jegens het slachtoffer gepleegde geweld".Rechtsoverweging 3.4 van het arrest.

Relevantie Voor het wijzen van dit arrest werd aangenomen dat van een zorgplicht slechts sprake is als deze gebaseerd is op de wet of een overeenkomst. Het gaat daarbij om situaties als de uit de wet voortvloeiende zorgplicht die ouders hebben tegenover hun kinderen.Annotatie onder het arrest, onder punt 2. Het zich niet-distantiëren is in het algemeen onvoldoende om medeplichtigheid aan te nemen.J. de Hullu, a.w. p. 472, noot 343. In de zaak bestond tussen het slachtoffer en de verdachte geen wettelijke of contractuele relatie die op de verdachte een zorgplicht vestigde. Toch casseerde de Hoge Raad niet. In plaats daarvan leidde hij de rechtsplicht af uit de omstandigheden van het geval: het feit dat de verdachte wist dat het slachtoffer weerloos was, dat die weerloosheid mede door verdachte is veroorzaakt en dat het slachtoffer bij hem in huis woonde.In hoeverre die laatste factor relevant is, is niet duidelijk. Annotator Knigge neemt aan dat het enkel zijn van huisgenoot in ieder geval niet voldoende is om een zorgplicht te vestigen, zie annotatie onder punt 3.

Tegenwoordig wordt aangenomen dat het enkel niet beletten van een misdrijf onvoldoende is om medeplichtigheid aan te nemen, maar dat er tevens een plicht tot beletten moet bestaan die voortvloeit uit de wet, overeenkomst of voorafgaand handelen.A.J. Machielse, 'Medeplichtigheid door nalaten', in Noyon/Langemeijer & Remmelink, Wetboek van Strafrecht, Deventer: Kluwer 2011 (geraadpleegd via Kluwer Navigator).

Bronnen, noten en/of referenties

Honden Peter