thumb|150px|right|Het kleinood van de Orde. thumb|150px|right|Het kruis van de Orde; een Grieks kruis in keel met fleur-de-lys aan de uiteinden ook wel gezien als vier gestileerde letters "M" voor Maria. De Orde van Calatrava, voluit "Militaire Ridderorde van Calatrava" (Spaans: "Orden Militar de Calatrava") is een Spaanse ridderorde. De van oorsprong middeleeuwse militaire orde werd in 1873 opgeheven en twee jaar later heropgericht als koninklijke onderscheiding, waarvan de Spaanse koning grootmeester is.

Geschiedenis De Orde werd in 1158 door Sancho III "de welkome" gesticht. De koning schonk de ridders de op de Moren veroverde stad Calatrava.

Deze religieuze Orde van ridders die de regel van de Cisterciënzers volgden verdeelde zijn tijd tussen kloosterleven en slagveld. In 1163 scheiden de wegen van de ridders en de kloosterlingen, een stap die door Paus Alexander III op 26 september 1164 werd goedgekeurd. De statuten van de militaire Orde werden in 1177 in een Pauselijke bul vastgelegd en stelden dat de Orde "het christelijk geloof tegen de Saracenen zou verdedigen". De Paus nam de Orde onder de bescherming van de Heilige Stoel. In 1187 verenigde de abt Guh de Orde weer.

De Spaanse militaire ridderorden, Calatrava, Alcantara, Montesa en San Iago hebben een belangrijke rol gespeeld bij het verjagen van de Moren uit het Iberisch Schiereiland. Vooral voor de jongere zonen van de adel, zij die niets erfden, was de intrede in deze orde van krijgshaftige monniken een nobele en passende levenstaak.

De orde behoort daarmee tot de middeleeuwse kruisridderorden zoals de Tempeliers, de Duitse Orde en de Orde van Malta. Ook in Spanje en Portugal streed het christelijke Europa tegen de islam.

De militaire orde van Calatrava: Oprichting De militaire orde van Calatrava is een militaire tak van de Cisterciënzers die gevormd werd in de 12e eeuw. De Cisterciënzers, zelf nog een betrekkelijk jonge orde uit 1098, bestond uit een groot aantal ridders en kinderen van ridders. De orde van Calatrava werd echter andersom opgericht, toen een aantal monniken ridders werden. Het verhaal hiervan werd verteld door Rodrigo de Toledo en zou een sprookje lijken als Rodrigo er niet aan toegevoegd had dat hij de held van het verhaal zelf gekend had:

Calatrava is de Arabische naam van een kasteel dat in 1147 op de moslims heroverd werd door Alfons VII van Castilië, ook wel "el Emperador" genoemd. Gelegen aan de zuidelijkste grens van Castilië was deze verovering moeilijker te behouden dat het te bouwen was, zeker in een tijd dat staande legers en garnizoenen nog niet bestonden. Het was deze leemte die de Tempeliers op wilden vullen door het nakomen van hun gelofte eeuwige strijd te leveren met de muzelmannen. De koning kon terugvallen op de tempeliers, maar de tempeliers hadden tevergeefs geprobeerd Calatrava te verdedigen en het daarna opgegeven. Dus was de koning op zoek naar een nieuwe verdediger toen Ramon, de abt van het cisterciënzer klooster te Fitero, zichzelf aanbood. Er wordt gezegd dat de abt dit idee ingefluisterd kreeg door Diego Velasquez, een simpele monnik maar gewezen ridder die goed bekend was met militaire zaken en die gegrepen was door het idee om de lekenbroeders van de abdij in te zetten om Calatrava te verdedigen. Deze cisterciënzer lekenbroeders – toen een redelijke noviteit in het religieuze leven – werden her en der ingezet als hoeders, werklui, helpers enzovoorts; Diego zette ze in als soldaten van het Kruis. Ze legden de hamer en de haak van de schapenhoeder neer en namen het zwaard ter hand. En zo kwam een nieuwe orde tot stand die de naam Calatrava droeg, naar het kasteel dat de koning had moeten opgeven (in 1157).

Eenmaal voorzien van wapens stonden deze broeders, vervuld van een oorlogszuchtig enthousiasme, te trappelen om het offensief tegen de Moren op te nemen. Met dit als doel kozen ze, na het overlijden van Abt Ramon in 1163, een zekere Don García om hen als eerste grootmeester in de strijd te leiden. Tegelijkertijd vertrokken de monniken van het koor, niet zonder protest, naar het klooster te Cirvelos om daar te leven onder een abt die zij gekozen hadden. Alleen Velasquez bleef, met een aantal andere geestelijken, als aalmoezenier voor de ridders achter. Velasquez werd daarbij kapelaan voor de gehele gemeenschap. Het hele, revolutionaire gebeuren kreeg de goedkeuring van de leiding van de orde te Cîteaux en van paus Alexander III (in 1164). Een ordebijeenkomst te Cîteaux in 1187 gaf aan de Ridders van Calatrava hun uiteindelijke regel mee, die datzelfde jaar bevestigd werd door paus Gregorius VIII. Deze regel, afgeleid van de cisterciënzer gewoonten voor lekenbroeders, stelde het volgende verplicht voor de ridders, naast de drie religieuze geloften: stilte in de eetzaal, slaapzaal en hoorzaal; onthouding gedurende vier dagen van de week, naast verschillende vastendagen in het jaar; ieder daguur van het Huis moesten ze een vast aantal paternosters zeggen; ze moesten slapen in hun wapenrusting; de cisterciënzer witte mantel met het rode kruis fleurdelisée dragen als volle uitdossing. Daarnaast viel Calatrava niet onder Cîteaux maar onder het Bourgondische Morimond, het moederhuis van Fitero, waar Calatrava ontstaan was. Dientengevolge verkreeg de abt van Morimond het recht de huizen te bezoeken en de statuten van Calatrava te wijzigen, terwijl de hoogste heilige positie van de orde, de grootkapelaan, enkel bezet kon worden door een monnik van Morimond.

Rol in het terugdrijven van de Moren (1178-1275) De eerste militaire verdiensten van de Orde waren briljant en werden door de koning van Castilië beloond met nieuwe landerijen die hun eerste commanderijen werden. Ook waren ze het naburige koninkrijk Aragón ingeroepen en voor die inzet in 1179 beloond met Alcañiz, een landgoed in Aragón. Maar de eerste successen werden gevolgd door een serie mislukkingen, mede veroorzaakt door de partitie die Alfonso in zijn bezittingen aangebracht had en de daaropvolgende rivaliteit tussen het Castiliaanse en Leonese deel van zijn dynastie. Daar kwam bovenop dat de Spaanse Moren, die hun bezit terug wilden, de hulp hadden ingeroepen van de Afrikaanse Moren — en dus de nieuwe en overweldigende invasies van de Almohaden teweegbrachten. De eerste slag resulteerde in een Spaanse nederlaag. Hierop volgde, in 1195, de desastreus verlopen Slag bij Alarcos. Hoewel de Ridders tijdens deze slag enorme heldenmoed toonden, werden ze uit hun bolwerk Calatrava verdreven en moesten ze het kasteel aan de moslims laten. Velasquez bleef net lang genoeg in leven om zijn gedurfde plan een mislukking te zien worden; hij overleed het jaar daarna in het klooster van Gumiel (1196). Het leek dat de Orde in Castilië aan zijn eind was en die opinie werd zo breed gedragen dat de tak van de Orde in Aragón zichzelf beschouwde als de opvolger van de Castiliaanse tak. De Ridders in Alcañiz gingen zelfs zover dat ze een nieuwe grootmeester kozen, maar de grootmeester die nog in leven was in Castilië deed zijn rechten gelden. Uiteindelijk werd een compromis gesloten en werd de grootmeester van Alcañiz erkend als tweede man van de Orde met de titel Groot-Commandeur van Aragón.

De verspreide resten van Calatrava hadden ondertussen onderdak gevonden in het cisterciënzerklooster te Cirvelos en daar begonnen ze hun verliezen te herstellen middels een grote toeloop van nieuwe ridders. Al snel vonden ze zichzelf sterk genoeg om in Salvatierra een nieuw bolwerk tegen de moslims op te zetten (1198); gedurende de volgende veertien jaar noemden ze zich de Ridders van Salvatierra. Maar ondanks een verdediging tegen alles in onderging Salvatierra in 1209 hetzelfde lot als Calatrava tijdens de volgende invasie van de Almohaden. Na de val van dit Castiliaanse bolwerk ontstond paniek in West-Europa. Kruisvaarders stroomden samen om gehoor te geven aan een oproep van paus Innocentius III om de Spaanse christenen te ondersteunen. De eerste akte van deze heilige oorlog, nu een Europese oorlog, was de herovering van Calatrava in 1212; het kasteel werd teruggegeven aan zijn oude meesters. Datzelfde jaar luidde de overwinning op de muzelmannen in de Slag bij Las Navas de Tolosa het begin van het einde van de overheersing van de islam in West-Europa in. Hoewel Calatrava veroverd was en de Orde haar oude naam weer aangenomen had, verhuisde de Orde toch naar Calatrava la Nueva, een versterkte positie 12 kilometer van het oude kasteel (1218). Van hieruit spreidde hun invloed uit tot de verste uithoeken van het Iberisch Schiereiland. Nieuwe orden ontstonden uit de oude — Alcántara in het Koninkrijk León en Avis in Portugal, beide onder de bescherming van Calatrava en onder toezicht van hun grootmeester. Deze vorm van nadoen, die zich verspreidde door alle lagen van de maatschappij, was het hoogtepunt van het Spaanse ridderdom. Het was ook in deze tijd dat Ferdinand III van Castilië, de heilige koning, de koninkrijken Castilië en León samenvoegde (1229) en met hun gecombineerde kracht de doodsteek toebracht aan de invloed van de Moren in Spanje door de inname van hun hoofdstad Córdoba (in 1235). Kort hierop volgden de overgaven van de steden Murcia, Jaén en Sevilla. De Europese kruistochten leken ten einde. Door het succes aangevuurd besloot Ferdinands opvolger Alfons X van Castilië tot een kruistocht in het Oosten en maakte hij plannen om, met zijn ridders, op te trekken om het Heilige Koninkrijk Jeruzalem te bevrijden (1272). Maar de Moren bleven weerstand bieden vanuit hun koninkrijkje Granada, dat nog twee eeuwen lang een islamitisch bruggenhoofd zou vormen in christelijk Europa. Dit had Europa overigens aan zichzelf te wijten, aan de internationale, dynastieke en persoonlijke ruzies die de coalitie versplinterden en waarin ook de Orde van Calatrava meegesleurd werd.

Politiek en rijkdom (1275-1470) Calatrava was, met zijn overvloedige voorraad mannen en rijkdom, een macht van belang geworden op het Iberisch Schiereiland. De Orde bezat landerijen en kastelen langs de hele grens van Castilië. Ze was feodaal heerser over duizenden keuterboeren en vazallen. Meer dan eens was de Orde in staat om krijgsmachten van tussen de 1200 en 2000 man op de been te brengen in de strijd (wat in de middeleeuwen een aanzienlijke krijgsmacht was). Bovendien was de orde autonoom, onafhankelijk als ze per statuut was in wereldse zaken en in spirituele zaken enkel gebonden aan de abt van Morimond en, bij hoger beroep, aan de paus. En deze autoriteiten spraken elkaar meermalen tegen na een schisma, begonnen in 1296 na de verkiezing van twee grootmeesters: García Lopez en Gautier Perez. Lopez werd in 1296 afgezet door een gezant van Morimond en deed een beroep op paus Bonifatius VIII, die het besluit terugdraaide en de zaak verwees naar het ordebestuur in Cîteaux. Het bestuur deed Lopez in 1302 terugkeren op zijn post. In 1328 werd Lopez een tweede keer afgezet na een conflict met zijn luitenant Juan Nuñez. Lopez trad vrijwillig terug ten faveure van Nuñez op voorwaarde dat hij het zeggenschap over de commanderij Zurita zou behouden. Deze voorwaarde werd niet gerespecteerd en dus hernam hij de positie van grootmeester te Aragón, waar hij in 1336 overleed. Aan deze gebeurtenissen valt duidelijk te zien dat in de 14e eeuw de rigoureuze discipline en vurige geloofsovertuiging van vroeger tijden verdwenen was onder de invloed van rijkdom en plaats had gemaakt voor intrige en ambities op het persoonlijke vlak.