Onderwijssociologie is een subdiscipline van de sociologie die zich buigt over de relatie tussen het sociale enerzijds en het instituut onderwijs anderzijds. Deze relatie wordt in beide richtingen onderzocht. Allereerst hoe het onderwijs bijdraagt tot de sociale orde en mensen opvoedt tot (volwaardige) burgers en afstemt op de arbeidsmarkt. Anderzijds staat ook de invloed van het sociale in het onderwijs centraal, namelijk in welke mate de sociale achtergrond de onderwijsuitkomst bepaalt., Wat is onderwijssociologie?, deventer, Van Loghum Slaterus, 1980, p. 4. Net als andere disciplines binnen de sociologie doet ze dit om advies te kunnen geven voor het politiek beleid.

Vandaag de dag is er een sterke focus op de nauwe band tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt. In die zin bestaan er raakvlakken met de arbeidseconomie en arbeidssociologie. Hiernaast zijn er ook een andere reeks auteurs, die het onderwijs eerder vanuit conflictsociologische hoek onderzoeken. Het onderwijs wordt gezien als het instituut dat een bepaalde vorm van sociale reproductie bevordert, zo machtsongelijkheden in stand houdt en zelf kan instaan voor het bestendigen van een culturele hegemonie. Voorbeelden van auteurs zijn Pierre Bourdieu, James Samuel Coleman, Axel Honneth, Ivan Illich, Alain Touraine en Thomas Ziehe.

Functie van het onderwijs Doorheen de geschiedenis van het Europese onderwijs hebben zich enkele verschuivingen doorgevoerd. Vroeger was de voornaamste functie van het onderwijs de opvoeding van de mensen tot volwaardige burgers. Het ging dus vooral om het bijbrengen van de juiste ideeën, normen en burgerzin. De focus lag in de eerste plaats op de zelfontwikkeling. In het oude Griekenland wordt dit nog vooral door privéleraren, zoals sofisten, verzorgd. Militaire opleidingen vormde hiervoor een uitzondering.In feite kan men ditzelfde zeggen van de Spartaanse opvoeding, die sterk vanuit de stadstaat vertrok. Hier was de opleiding ook in de eerste plaats gericht op het vormen van goede krijgers. De opvatting dat het vooral om de psychische en culturele ontwikkeling draaide werkte ook nog door bij het ideaal van de Bildung. Beroepen werden eerder aangeleerd via leercontracten binnen gildes. Het zal pas vanaf de 20e eeuw zijn dat het onderwijs een cruciale rol begint te spelen voor de maatschappelijke positie en de latere loopbaan. Onderwijs ging vanaf dat moment sterk samenhangen met het verloop van de arbeidsmarkt. Ook de hele problematiek rond sociale gelijkheid kwam pas in de 20e eeuw naar voren.

Breder kan men het onderscheid maken tussen vier (sociale) functies van het onderwijs: Arbeidsallocatiefunctie: het onderwijs moet de nodige vaardigheden, kennis en productiviteit bijbrengen aan de mensen die vereist zijn voor de arbeidsmarkt. Het moet dus optimaal inspelen om de noden van die markt en de juiste arbeiders met de juiste vaardigheden afleveren. Efficiëntiefunctie: het onderwijs staat ook in voor de optimalisatie van eenieders eigen talenten. Het moet met andere woorden op een adequate manier de talenten van het individu herkennen en vervolgens stimuleren door het gepaste onderwijsprogramma voor te stellen. Gelijkekansenfunctie: ook heeft het onderwijs de taak om sociale ongelijkheid die in de primaire socialisatie tot stand komt, weer ongedaan te maken. Het moet ervoor zorgen dat ieder kind met gelijke kansen een opleiding kan volgen en zo zijn capaciteiten adequaat kan ontwikkelen. Actieveparticipatiefunctie: ten laatste staat het onderwijs ook in voor het bevorderen van de sociale cohesie en het bijbrengen van burgerzin. Het staat met andere woorden in voor het aanleren van de juiste normen en waarden aan de individuen opdat de maatschappij zo adequaat mogelijk kan functioneren. Tussen deze verschillende functies van het onderwijs kunnen eventuele conflicten ontstaan. Zo moet het onderwijs een afweging maken tussen enerzijds beroepsspecialisatie (om in te spelen op de arbeidsmarkt) en anderzijds een comprehensief onderwijssysteem waarin studenten pas op late leeftijd kunnen kiezen voor een specialisatie, om zo de gelijke kansen te bevorderen. Het is immers zo dat als men vroeg specialiseert, dit kan resulteren in een concentratie van bepaalde sociale klassen in bepaalde opleidingen. Ook tussen de efficiëntie- en de allocatiefunctie kan een conflict ontstaan, voornamelijk rond de vraag of men studenten volledig vrij moet laten kiezen wat ze willen studeren of hun keuzes toch moeten worden gekanaliseerd om op de noden van de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld knelpuntberoepen) in te spelen.

Meritocratie en credentialisme Een cruciale functie van het onderwijs is dat het de (toekomstige) sociale posities in de samenleving sterk bepaalt en structureert.Volgend stuk is grotendeels gebaseerd op , The Sociology of Education and Work, Malden/Oxford/Carlton, Blackwell Publishing, pp. 37-60. In de hedendaagse maatschappij wordt de sociale positie immers niet bepaald door afkomst of rijkdom (ascription), maar in functie van verdienste (achievement). Althans dit is de visie van het meritocratisch model. Het model stelt dat onderwijs bepaalde vaardigheden bijbrengt die sterk gewaardeerd worden in de samenleving en op de arbeidsmarkt en zo dus bijdragen aan bijvoorbeeld het inkomen van de afgestudeerden. Mensen met hogere diploma's verdienen dus meer doordat ze in het onderwijs de nodige vaardigheden hebben bijgeleerd. Deze vaardigheden worden vervolgens op de arbeidsmarkt beloond.

Hiertegenover staan een hele reeks andere theorieën, soms samengevat onder het credentialistisch model. Volgens dit model krijgen hogeropgeleiden niet de betere posities omdat ze betere vaardigheden of meer kennis bezitten, maar (louter) op basis van de diploma's (credentials). In haar meest radicale vorm stelt dit model dat onderwijs helemaal niet de vereiste vaardigheden bijbrengt en dat diploma's zelfs losstaan van de nodige kennis voor bepaalde jobs. Onderwijs heeft hier enkel de functie van sociale reproductie: binnen het onderwijs wordt een sociale selectie doorgevoerd die de kinderen van bepaalde klassen bevoordeeld en zo de meest gunstige posities voor hen veiligstelt. Een voorbeeld van zo'n theorie vindt men bij Pierre Bourdieu en Jean-Claude Passeron, in hun boek La reproduction (1970). Volgens hen is het onderwijs zelf een product van de heersende klasse (zij bepalen de structuur, het cultureel kapitaal dat gewaardeerd wordt) waardoor vooral wat voor hen belangrijk is dominant kan zijn binnen het onderwijs. Omdat hun kinderen veel van deze vereiste kennis al meekrijgen in hun primaire socialisatie (ze hebben al de juiste 'habitus') hebben deze kinderen een voorsprong op de kinderen van de andere klassen, en zo worden hun de hogere posities verzekerd.

Andere voorbeelden van auteurs die in deze traditie denken zijn Ivar Berg en Randall Collins. Zij spreken over fenomenen zoals diploma-inflatie en het sheepskin effect. Met diploma-inflatie wordt bedoeld dat werkgevers tegenwoordig steeds hogere eisen stellen aan de werknemers, en dus meer diploma's vragen voor dezelfde jobs. Het sheepskin effect verwijst dan weer naar het fenomeen dat er een grote kloof bestaat tussen de opbrengsten van (bijvoorbeeld) vier jaar studeren met een diploma en vier jaar studeren zonder diploma op de arbeidsmarkt. Beide fenomenen tonen volgens de auteurs aan dat het op de arbeidsmarkt niet gaat om beloning op basis van verdiensten, maar wel op basis van tekens (die eventueel geen adequate afspiegeling zijn van echte vaardigheden).

Signaaltheorie Tussen deze twee theorieën bestaat ook nog een derde reeks theorieën, die elementen van het meritocratisch en credentialistisch model wil combineren. Auteurs als Kenneth J. Arrow,, "Higher education as a filter", Journal of Public Economics, 2 (3), juli 1973, pp. 193–216. Michael Spence, "Job market signaling", Quarterly Journal of Economics, 87, 1973, pp. 355–74. en Lester C. Thurow, Generating Inequality, New York, Basic Books, 1976. stellen dat onderwijs inderdaad niet rechtstreeks instaat voor vaardigheden, en dus dat werkgevers er ook niet op belonen, maar dat deze behaalde diploma's een zekere signaal of sorteerwaarde hebben waarop werkgevers hun werving kunnen baseren. Volgens Spence draait het voornamelijk om signalen voor aanwezigheid van productiviteit; voor Arrow draait het meer om signalen voor verdere opleidingskosten; terwijl Thurow dan weer de aandacht vestigt op diploma's als strijdmiddelen in een dubbele wachtrij, zowel die voor de beschikbare jobs, als tegenover de andere sollicitanten.

Onderwijs en arbeidsmarkt Een centrale vraag binnen de hedendaagse onderwijssociologie is in hoeverre het onderwijs en de arbeidsmarkt op elkaar zijn afgesteld. Een kwestie daarbij is de reeds behandelde vraag op welke wijze diploma's een rol spelen in het bepalen van de job. Het gaat echter ook om andere bijkomende vragen zoals of onderwijs beloond wordt als een absoluut goed of een positioneel goed, en in welke mate men kan spreken van een horizontale en verticale mismatch tussen het genoten onderwijs en de uitgeoefende job.

Onderwijs als absoluut of positioneel goed Mensen lijken de inspanningen die het onderwijs vereisen te willen doorstaan in de overtuiging dat genoten onderwijs ook loont op de arbeidsmarkt: een beter diploma leidt tot een betere job en een hoger loon. Verscheidene onderwijssociologen hebben zich toegelegd op de vraag in welke mate onderwijs inderdaad bijdraagt tot een hoger loon. Een vraag daarbinnen is of onderwijs als een absoluut goed of een positioneel goed begrepen moet worden. Met absoluut goed wordt hier bedoeld dat onderwijs in absolute termen bijdraagt tot een hoger inkomen: hoe meer jaren men studeert, hoe meer men verdient. Met onderwijs als positioneel goed echter wordt gesteld dat onderwijs slechts relatief loont: meer onderwijs loont pas als men meer onderwijs heeft relatief ten opzichte van de andere deelnemers aan het onderwijs en de arbeidsmarkt.

Onderzoek lijkt aan te tonen dat door de toenemende onderwijsexpansie onderwijs zelf, tenminste in Vlaanderen, steeds meer een positioneel goed wordt.Zie , "Onderwijsexpansie en onderwijs als positioneel goed", Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 27 (4), 2011, pp. 437-454.

Horizontale en verticale mismatch Een ander vraagstuk binnen de relatie tussen onderwijs en arbeidsmarkt is of afgestudeerden wel uiteindelijk de job zullen bekleden waarvoor ze gestudeerd hebben. Er kan in dit geval sprake zijn van een horizontale en verticale mismatch. Met verticale mismatch of overscholing (of onderscholing) wordt bedoeld dat de afgestudeerde een baan heeft die zich op een lager (of hoger) niveau situeert dan degene waarvoor hij gestudeerd heeft. Zo kan een filosofiestudent genoodzaakt zijn een slechtbetaalde job aan te nemen omdat hij er geen vindt die aansluit bij zijn diplomaniveau. Horizontale mismatch verwijst dan weer naar een inhoudelijke kloof tussen studie en baan. De baan ligt dan niet zozeer veraf qua loon van de studie, maar qua sector. Zo kan een student geschiedenis bijvoorbeeld uiteindelijk in het bedrijfsleven terechtkomen.