Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Anhalt. Anhalt is een regio in de Midden-Duitse deelstaat Saksen-Anhalt die zich uitstrekt van het oosten van de Harz tot de middenloop van de Elbe. Belangrijke steden in het gebied zijn Dessau, Bernburg, Köthen en Zerbst.

De geschiedenis van Anhalt is nauw verbonden met de dynastie van de Ascaniërs. Anhalt was het stamland van deze dynastie, die vooral tijdens de hoge middeleeuwen zeer invloedrijk was in het noordoosten van Duitsland. De dynastie verzwakte door de gewoonte om het land onder alle zonen te verdelen. Anhalt bestond daardoor een groot deel van zijn geschiedenis uit verschillende kleine vorstendommetjes, die weinig invloed konden uitoefenen op de omliggende vorstendommen.

In 1863 werd Anhalt definitief verenigd tot het hertogdom Anhalt. In 1918 werd de hertogelijke familie gedwongen om af te treden en werd Anhalt tot vrijstaat uitgeroepen. Na de Tweede Wereldoorlog werd Anhalt als deelstaat opgeheven en verloor het gebied zijn politieke zelfstandigheid.Bij het schrijven van dit artikel is gebruikgemaakt van de volgende bron:* (2013): Kurze illustrierte Geschichte des Landes Anhalt, eerste druk, Herrenhaus-Kultur-Verlag, Dresden.

Prehistorie en oudheid thumb|Het hunebed bij Drosa, gem. Osternienburger Land, werd tijdens het neolithicum (3200-2800 v. Chr.) gebouwd. De oudste sporen van menselijke bewoning in het gebied dat later Anhalt zou worden zijn vuistbijlen uit ongeveer 200.000 v. Chr. Vanaf 8000 tot 5500 v. Chr., tijdens het Mesolithicum, werden de hoger gelegen gebieden bewoond door Jager-verzamelaars. Hierna verschenen de eerste landbouwers in het gebied, die naar de vorm van hun aardewerk de Bandkeramische cultuur genoemd worden. Tijdens het Neolithicum werd Anhalt bewoond door subgroepen van de Trechterbekercultuur: de Baalberger Cultuur (vanaf 4100 v. Chr.) en de Walternienburg-Bernburger Cultuur (vanaf 3200 v. Chr.). De bronstijd was van groot belang voor de culturele ontwikkeling van het gebied. Brons werd gebruikt voor het maken van wapens, sieraden en gebruiksvoorwerpen die duurzamer waren dan steen en koper.

Vanaf 1200 v. Chr. vestigden groepen mensen die tot de Lausitzcultuur behoorden zich vanuit het oosten in Anhalt. Een van de belangrijkste archeologische opgravingen waar resten van deze cultuur zijn gevonden ligt in de gemeente Coswig. Met de Lausitzcultuur begon ook de IJzertijd in Anhalt. Het is onduidelijk tot welke taalgroep de Lausitzcultuur behoorde. Zowel een Oerslavische als een Oergermaanse achtergrond zijn genoemd. Rond het jaar 0 werd Midden-Duitsland bewoond door de Sueben, een Germaanse stammengroep. De stammen die langs de Elbe leefden worden Elbe-Germanen genoemd. In Anhalt waren dat vooral Longobarden, Semnonen en Hermunduren.

De uitbreiding van het Romeinse Rijk heeft in Anhalt weinig sporen nagelaten. Er werd wel gehandeld tussen de Germaanse stammen en de Romeinen. Een expeditie onder leiding van Nero Claudius Drusus bereikte in 9 v. Chr. de Elbe. Drusus stierf na een val van zijn paard. Volgens latere volksverhalen zou hij zijn begraven in het hunebed van Drosa.

Middeleeuwen Vroege middeleeuwen Vanaf de vierde eeuw na Chr. trokken de meeste Elbe-Germanen naar het zuiden en het oosten weg. Ten oosten van de Elbe en de Saale werd hun plaats ingenomen door Slavische stammen. Het gebied tussen de Harz en de Saale bleef overwegend Germaans. Later werd dit gebied de Schwabengau genoemd. Vanaf de zevende eeuw kwam het onder invloed van de Saksen. Tussen 772 en 804 onderwierp de Frankische koning Karel de Grote de Saksen tijdens een reeks oorlogen. Tegelijkertijd werden de voormalig Sakische gebieden gekerstend. In 780 werd in Seligenstadt een missioneringscentrum opgericht. In 804 werd de plaats het centrum van een bisdom. Tien jaar later werd de bisschopszetel naar Halberstadt verplaatst. De Saale en de Elbe vormden de grens tussen het christelijke Frankische Rijk en de heidense Slaven. Hoewel de Franken verschillende veldtochten tegen de Slaven ondernamen en in 839 twaalf Slavische burchten veroverden (waaronder de sterke Kesigesburg bij Cösitz), bleven de Slavische stammen relatief onafhankelijk.

thumb|De Stiftskerk Sint-Cyriacus in Gernrode. In 959 werd het bijbehorende klooster door markgraaf Gero gesticht.

De grens bleef tot de tiende eeuw min of meer onveranderd; de Karolingische koningen zagen de grens vooral als een verdedigingslinie. De latere Duitse koningen uit het Saksische huis probeerde actief nieuwe gebieden in het oosten te veroveren. Hertog Hendrik van Saksen, die in 919 Duits koning werd, richtte een aantal burchten op in de Slavische gebieden ten oosten van de Saale, die vooral bedoeld waren als bescherming tegen invallen van de nomadische Hongaren. Onder zijn zoon keizer Otto I de Grote werden de nieuw veroverde gebieden in het Rijk geïntegreerd. In 937 benoemde Otto I Gero, een Saksische edelman, tot markgraaf van de Saksische Oostmark en gaf hem de opdracht om de gebieden ten oosten van de Elbe in te nemen. Na een lange strijd veroverde Gero de landen tussen de Elbe en de Oder en wist zo zijn gebied aanzienlijk te vergroten. Opstanden van de Slaven sloeg hij met harde hand neer. Daarnaast stichtte Gero de twee oudste kloosters van Anhalt: het klooster van Frose en het vrouwensticht Sint-Cyriacus in Gernrode.

Na de dood van Gero in 965 werd de Oostmark opgedeeld in vijf kleinere marken - de Noordmark, de mark Meißen, de mark Lausitz, de mark Merseburg en de mark Zeitz. Het latere Anhalt kwam in de Mark Lausitz te liggen. In 983 kwamen de Slavische stammen in opstand tegen de Duitse overheersing en de ten oosten van de Elbe gelegen gebieden gingen voor het Duitse of Heilige Roomse Rijk verloren. De tussen de Saale, de Elbe, de Mulde en de Fuhne gelegen gouw Serimunt bleef wel behouden. Samen met de Schwabengau kwam de gouw Serimunt in handen van de dynastie van de Billungers. Het kernland van het latere Anhalt bestond uit deze twee gouwen.

thumb|left|Het zegel van Albrecht de Beer, de eerste heerser die zich markgraaf van Anhalt noemde.

De opkomst van de Ascaniërs Een deel van bezittingen van de Billungers ten oosten van de Harz werden na 1032 geërfd door Esiko, de stamvader van de Ascaniërs. Zijn zoon Adalbert was de eerste van wie bekend is dat hij grafelijke rechten over het gebied rond Ballenstedt kon uitoefenen. Adalberts zoon Otto (ca. 1070-1123) erfde daarnaast de overgebleven delen van de Noordmark. Otto was een van de Duitse edelen die het na 983 afgebroken proces van verovering van de Slavische gebieden ten oosten van de Elbe voorzette. Op 9 februari 1115 versloeg hij een Slavische legermacht en breidde hij zijn gebieden uit met Roßlau en Coswig.

Otto werd opgevolgd door zijn zoon Albrecht de Beer. Albrecht was de eerste die zich markgraaf van Anhalt noemde, naar de burcht Anhalt in het oosten van de Harz. Albrecht was ook de eerste die de titel 'graaf van Aschersleben' voerde. De geslachtsnaam Ascaniërs is afgeleid van de Latijnse vertaling van deze titel (comes Ascanie).

Albrecht de Beer was een van de machtige vorsten uit zijn dynastie. In 1134 werd hij graaf van Weimar-Orlamünde en in 1138 werd hij door Rooms-koning Koenraad III tot hertog van Saksen benoemd. Nadat een aantal van zijn burchten, waaronder de burcht Anhalt, tijdens een oorlog met de rivaliserende Welfen-dynastie waren platgebrand, moest hij zijn hertogstitel echter weer opgeven. Albrecht had meer succes met zijn oorlogen tegen de Slaven. In 1157, tijdens een kruistocht tegen de Slaven, veroverden Albrechts troepen de burcht Brandenburg op de Slaven. Om zijn pas veroverde landen te bevolken trok Albrecht kolonisten aan uit onder andere Westfalen, Vlaanderen en Holland. De Slavische bevolking werd langzaam geassimileerd. Tot de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werd door een deel van de bevolking in het oosten van Anhalt echter nog een Slavische taal gesproken. Door de uitbreiding naar het oosten verschoof ook het culturele centrum van Anhalt. Terwijl meer oostelijk gelegen plaatsen als Bernburg, Köthen, Dessau en Coswig groeiden en stadsrechten kregen, bleven de steden en marktplaatsen in het westen klein. De enige uitzondering was de belangrijke stad Aschersleben.

thumb|Hendrik I van Anhalt was de eerste vorst van Anhalt. Als beroemd minnezanger werd hij opgenomen in de Codex Manesse.

De eerste delingen Evenals andere Duitse vorstenhuizen kenden de Ascaniërs geen eerstgeboorterecht. Na de dood van Albrecht de Beer verdeelden zijn zonen daarom zijn erfenis onder elkaar. Otto kreeg Brandenburg, Herman kreeg Weimar-Orlamünde en de Anhaltse gebieden vielen aan Albrechts jongste zoon Bernhard. In 1180 werd Bernhard door keizer Frederik I Barbarossa tot hertog van Saksen benoemd. De keizer had het grootste gedeelte van het hertogdom echter eerst verdeeld onder een aantal Noord-Duitse graven en bisschoppen, zodat Bernhards hertogdom alleen bestond uit enkele kleine gebieden ten oosten van de Elbe. Uit Bernhards regeringsperiode stammen veel van de Romaanse dorpskerken die in Anhalt bewaard zijn gebleven.

Na Bernhards dood in 1212 verdeelden zijn zoons hun vaders bezittingen opnieuw. De oudste, Hendrik, kreeg de graafschappen in Anhalt, terwijl Albrecht de Saksische hertogstitel met de gebieden rond Wittenberg en Lauenburg kreeg. Hendrik wist verschillende heerlijke en grafelijke rechten te verenigen tot een min of meer aaneengesloten rechtsgebied. In 1215 noemde hij zich voor het eerst vorst van Anhalt (princeps in Anahalt). Hendrik en zijn opvolgers waren de eerste en lange tijd ook enige graven die tot de kleine kring van rijksvorsten behoorde.

Tijdens de regering van Hendrik I schreef Eike von Repgow, een ridder uit het Anhaltse dorp Reppichau, een van de eerste rechtsboeken uit de Duitse geschiedenis: de Saksenspiegel. Hierin werd het Saksische gewoonterecht voor het eerst schriftelijk vastgelegd. Een andere belangrijke gebeurtenis die tijdens Hendriks regering plaatsvond was de verlening van het Privilege van Worms (1231). Hierin bevestigde Rooms-koning Hendrik VII dat de rijksvorsten, en dus niet de koning of keizer, verantwoordelijk waren voor het bestuur van hun landen, de rechtspraak, het innen van tollen en het slaan van munten.

Rond 1259 verdeelden de zoons van Hendrik I hun erfenis. Zijn oudste zoon Hendrik kreeg Anhalt-Aschersleben, zijn tweede zoon Bernhard kreeg Anhalt-Bernburg en zijn jongste zoon Siegfried kreeg Anhalt-Köthen. Door de verdelingen werden de Ascaniërs gemarginaliseerd in de rijkspolitiek.

Crisis en groei in de late middeleeuwen thumb|De vorsten van Anhalt hebben hun aanspraak op Aschersleben nooit opgegeven. Op deze kaart van Anhalt uit 1705 werd Aschersleben nog steeds als Anhalts grondgebied ingetekend. In 1307 wist Albrecht I van Anhalt-Köthen de rijke stad Zerbst in handen te krijgen. Zerbst groeide in korte tijd uit tot de grootste en belangrijkste stad in Anhalt. In 1321 ging het graafschap Aschersleben echter verloren. Na het uitsterven van het Huis Anhalt-Aschersleben in 1315 verloren hun erfgenamen van Anhalt-Bernburg in 1322 Aschersleben aan de bisschoppen van Halberstadt. Ondanks protesten bij de keizer wisten de vorsten van Anhalt het verloren gebied niet meer terug te winnen. Door het verlies van Aschersleben werd het oostelijke deel van Anhalt gescheiden van het oude stamgebied in de Harz.