De ringslangplatstaart (Laticauda colubrina) is een slang uit de familie koraalslangachtigen (Elapidae). Het verspreidingsgebied omvat zuidelijk Azië en Australië tot delen van Midden-Amerika.

De lichaamskleur is zwart met witte banden over het gehele lichaam; de staartpunt is sterk lateraal afgeplat. De kop is deels zwart van kleur en heeft een masker van gele vlekken. De vrouwtjes zijn bijna anderhalfmaal zo groot als de mannetjes. Hoewel de lichaamslengte van vrouwelijke exemplaren doorgaans tussen een en anderhalve meter ligt, kunnen ze veel langer worden, met uitwassen tot ruim drie meter.

De ringslangplatstaart is zeer giftig, maar is niet agressief en bijt alleen als hij wordt aangevallen. Op het menu staan voornamelijk palingen en andere vissen. In Azië worden vissers vaak geconfronteerd met de slang als ze hun netten leeghalen, maar beten van de ringslangplatstaart zijn zeldzaam. De slang wordt ook commercieel gevangen om het vlees en de huid. Daarnaast valt de slang ten prooi aan roofvogels en sommige haaien.

De slang is zowel 's nachts als overdag actief. De ringslangplatstaart is een zeebewoner die soms aan land gaat, bijvoorbeeld voor de paring en de afzet van de eieren. Het voedsel wordt altijd in zee buitgemaakt.

Naamgeving en taxonomie De ringslangplatstaart staat bekend onder verschillende wetenschappelijke en triviale namen die verschillen per taal.

Wetenschappelijke namen De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst gepubliceerd door Johann Gottlob Schneider in 1799. Oorspronkelijk werd de soort in het geslacht Hydrus geplaatst, en was de volledige naam Hydrus colubrinus. Later werden de slang de geslachten Coluber, Anguis, Hydrophis en Platurus toegekend. Afhankelijk van het grammaticaal geslacht van de geslachtsnaam is het epitheton colubrinus of colubrina.

De naam Laticauda betekent vrij vertaald 'brede staart' en is een samentrekking van de Latijnse woorden latus (breed) en cauda (staart). De soortnaam 'colubrina' betekent slangachtig.

Triviale namen De Nederlandstalige naam ring-slang-plat-staart slaat op de ringvormige banden over het gehele lichaam en het feit dat de staart peddel-achtig is afgeplat. Ook in andere talen wordt vaak verwezen naar de opvallende bandering op het lichaam, zoals het Engelse 'banded sea krait'. In de Engelse taal wordt de soort ook wel 'yellow-lipped sea krait' (geel-lip-zeekrait) genoemd, wat een verwijzing is naar de gele voorzijde van de kop. In het Duits wordt de slang 'Nattern-Plattschwanz' genoemd, naar de afgeplatte staartpunt. De Chinese naam is 黃唇青斑海蛇 en betekent geellippige (黃唇) wit gestreepte (青斑) zeeslang (海蛇).

Indeling De ringslangplatstaart is een vertegenwoordiger van de familie koraalslangachtigen (Elapidae), waartoe ook de cobra's en de mamba's behoren. Het is een in zee levende slang, maar behoort niet tot de zeeslangen (onderfamilie Hydrophiinae). De slang wordt tot het geslacht van de platstaarten (Laticauda) gerekend; dit is een groep van acht soorten die veel op elkaar lijken en allemaal rond Azië leven. Platstaarten kunnen aangemerkt worden als in zee levend als het de voedselgewoonten betreft, ze vertoeven de rest van hun tijd op het land. De 'echte' zeeslangen uit de onderfamilie Hydrophiinae zijn veel sterker aan het leven in zee aangepast. Zeeslangen zijn permanente zeebewoners die zelfs hun jongen levend baren in de zee. Ze hebben veel beter ontwikkelde zoutklieren zodat ze zeewater als drinkwater kunnen gebruiken.

Verspreidingsgebied en habitat thumb|Verspreidingsgebied in het rood, alleen de landen en deelgebieden waar de slang voorkomt zijn weergegeven en niet het exacte verspreidingsgebied. De ringslangplatstaart heeft het grootste verspreidingsgebied van alle soorten platstaarten uit het geslacht Laticauda.

De soort komt voor in delen van zuidelijk en zuidoostelijk Azië, langs de kust van de Indische Oceaan aan de kust van China (Taiwan), India, Indonesië, Nieuw-Guinea, Maleisië, Myanmar, Oost-Timor, Sri Lanka en Vietnam. Daarnaast is de slang te vinden op de eilandengroepen Andamanen, Melanesië, Nicobaren, Polynesië, Vanuatu en de Salomonseilanden. In Japan is de slang aangetroffen op de Riukiu-eilanden. Daarnaast is de slang te vinden in delen van kustgebieden van Midden-Amerika en zuidelijk Noord-Amerika in de landen El Salvador, Mexico en Nicaragua. Ten slotte komt de slang ook voor langs de kust van Australië (in de staten New South Wales en Queensland), Nieuw-Zeeland, de Fiji-eilanden en Nieuw-Caledonië.

Habitat Het dier is een bewoner van warme wateren, meer specifiek van mangroven en koraalriffen in kuststreken van tropische gebieden. Op open zee wordt de slang alleen migrerend aangetroffen. De ringslangplatstaart is op sommige eilanden zeer talrijk en kan onder vrijwel ieder object op de bodem worden aangetroffen. Vaak worden planten, koralen en rotsspleten als schuilplaats gebruikt. De slang kan landinwaarts tot op een hoogte van veertig meter boven zeeniveau worden gevonden.

Uiterlijke kenmerken thumb|Schubben van de kop van de slang De ringslangplatstaart heeft opvallende lichaamskleuren die ook bij andere soorten platstaarten voorkomen.

Kop De kop is afgerond en heeft een overwegend zwarte kleur en er is een maskerachtige gele tekening aanwezig. Met name de delen van de voorzijde van de kop zijn geel; de bovenzijde van de kop is voornamelijk zwart; de gele kleur loopt aan de dorsale zijde van de snuitpunt aan de voorzijde tot aan de voorzijde van de frontale schub. De onderzijde van de kop is zwart en ook is er een zwarte oogstreep aanwezig die loopt van het oog tot in de nek.

Net als andere slangen zijn het patroon, de vorm en de aantallen van de schubben op het lichaam uniek voor de soort. Vooral de schubben aan de kop verschillen per soort wat betreft de configuratie en die hebben ook bijna allemaal een aparte naam.

Aan de bovenzijde van de kop is de frontale schub gelegen, dit is de grootste schub van de kop en deze bedekt het grootste deel van de bovenzijde van de kop. Achter de frontale schub zijn twee grote pariëtale schubben gelegen, die een niervormige contour hebben.

De ogen zijn rond en van gemiddelde grootte en de pupil is rond. Aan de bovenzijde van het oog is een grote schub aanwezig, de supraoculaire (supra = boven, oculair = van het oog) schub. Voor het oog is een enkele preoculaire (pre = voor) schub gelegen; veel slangen hebben meer van deze schubben. Achter het oog zijn twee postoculaire (post = achter) schubben gepositioneerd.

De neusgaten bevinden zich aan de zijkant van de kop. Ze hebben een ventielachtig klepje zodat zeewater niet zomaar binnen kan dringen. Ieder neusgat is gelegen in een nasale schub. Tussen de nasale schubben aan weerszijden van de kop zijn twee Internasale schubben (inter = tussen) aanwezig. Achter de internasalen is vaak een ongedeelde schub gelegen. Dit is een verschil met de kop van gewone platstaart (Laticauda laticaudata), die nooit een dergelijke 'extra' schub heeft. thumb|Het lichaam is cilindrisch en de kop is afgeplat De rostrale schub (rostrum = snuit) is de voorste schub van de bovenkaak, de schub is precies boven de mondopening gelegen. De rostrale schub is ongedeeld en bestaat uit een enkele plaat. De rostrale schub is bij deze soort hoger dan zij breed is. Aan de onderkaak is de mentale schub aanwezig aan de voorzijde. Achter het rostrum (aan de bovenzijde ) zijn de bovenlipschubben of supralabiale schubben gelegen. De derde en vierde supralabiale schub vormen een deel van de rand om het oog. De ringslangplatstaart heeft zeven tot acht supralabialen. De schubben aan de onderste mondrand worden de onderlipschubben of infralabiale schubben genoemd, dit zijn er altijd vijf.

Een belangrijke aanpassing van de kop zijn twee zoutklieren die dienen om overtollig zout af te voeren. Deze zoutklieren zijn onder de tong van de slang gelegen. De tong is gevorkt en wordt gebruikt om geurdeeltjes te analyseren. Zo kan de slang zijn prooien waarnemen en ook exemplaren van het andere geslacht worden met de goed ontwikkelde reukzin opgespoord tijdens de voortplantingstijd.

Lichaam De ringslangplatstaart heeft een vrijwel cilindrisch lichaam dat in doorsnede nagenoeg rond is. Dit in tegenstelling tot de meeste slangen, die een duidelijk afgeplat lichaam hebben.

De huid van deze slang is grijsblauw met zwarte dwarsbanden. De dwarsbanden worden nauwer naar de buikzijde toe en lopen vaak door over de buikzijde. Sommige banden of zelfs alle banden kunnen aan de buikzijde ook onderbroken zijn. De huid heeft nooit een zigzagpatroon van banden zoals bij andere slangen bekend is. De kleur van de buikzijde is verder geelachtig.

De mannetjes bereiken een lichaamslengte tot 87 centimeter waarvan zo'n 13 cm bestaat uit de staart. De vrouwtjes worden aanzienlijk groter, tot 1,42 meter waarvan ongeveer 14,5 cm bestaat uit de staart. Uitschieters kunnen nog langer worden tot twee meter en het allerlangste bekende exemplaar had een lengte van 3,6 meter. Mannetjes wegen ongeveer 600 gram, de vrouwtjes kunnen drie keer zo zwaar worden, tot 1800 gram.

De slang heeft meerdere rijen schubben aan de rug, de dorsale schubben, en een enkele rij schubben aan de buik, de ventrale schubben. Op het midden van het lichaam zijn 21 tot 23 dorsale schubbenrijen in de lengte gelegen, heel zelden ook 25 rijen. De gewone platstaart (Laticada laticaudata) heeft een vast aantal van negentien rijen en is hieraan te onderscheiden. De dorsale schubben van de slang zijn glad, ze dragen geen kielen. De schubben overlappen elkaar deels zodat ze een stevig pantser vormen.De buikschubben aan de onderzijde van het lichaam zijn een derde tot meer dan de helft van de breedte van het lichaam, dit is breed in vergelijking met andere soorten. Ze zijn rechthoekig en vier keer zo breed als lang. De ringslangplatstaart heeft 213 tot 243 buikschubben, van de keel tot aan de cloaca waar de staart begint.

Staart thumb|Zwarte staartpunt met geel einde. De slang heeft een afgeplatte, peddelvormige staart. Deze wordt gebruikt om het lichaam voort te stuwen en dient ook om de bewegingsrichting te bepalen, het is dus een soort roer. De staartpunt is geheel zwart op het uiteinde na, hier is een gele band aanwezig. Omdat ook de voorzijde van de kop geel is lijken de kop en staart op elkaar. De ringslangplatstaart maakt hiervan gebruik door vijanden met de staartpunt te misleiden; zie ook onder het kopje vijanden en verdediging.

Vanaf de bovenzijde is moeilijk te zien waar het lichaam ophoudt en de staart begint, maar aan de onderzijde is dit makkelijk af te lezen aan de positie van de cloaca. De cloaca is een lichaamsopening die gebruikt wordt voor de paring en ook om zich te ontlasten. De cloacaopening wordt beschermd door een plaat die de anaalplaat wordt genoemd. Bij de ringslangplatstaart is de anaalplaat gespleten en bestaat dus uit twee delen. Achter de cloaca zijn de caudale schubben gelegen, de schubben aan de onderzijde van de staart. Bij de mannetjes is er een rij van 37 tot 47 schubben aanwezig en bij de vrouwtjes zijn dit er 29 tot 35.

Mannetjes hebben net als andere slangen een hemipenis waarmee de slang aan beide zijden contact kan maken met de cloaca van het vrouwtje. De hemipenis van de ringslangplatstaart is aan het uiteinde gevorkt. De penis is bezet met kleine, korte en langere stekeltjes die dienen om de penis te ankeren tijdens de eigenlijke copulatie. De basis van de penis bevat langere en dunnere stekels dan het laatste deel en de stekels zijn hier bovendien verder uit elkaar gelegen. Aan het uiteinde van de hemipenis zijn de stekels relatief kort en dik en daarnaast ook talrijker.

Onderscheid met andere soorten thumb|De geringde slangaal imiteert de ringslangplatstaart