Het Beleg van Petersburg vond plaats tussen 9 juni 1864 en 25 maart 1865 in en rond Petersburg, Virginia tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Hoewel deze reeks van veldslagen bekend is onder de naam Beleg van Petersburg was het niet een klassieke belegering waarbij de volledige stad omsingeld en afgesloten was van de buitenwereld. Het was evenmin enkel en alleen rond de stad dat de confrontaties plaatsvonden. De veldtocht was een negen maanden durende loopgravenoorlog waarin de Noordelijke troepen, aangevoerd door luitenant-generaal Ulysses S. Grant, in eerste instantie de stad probeerden in te nemen. Na deze mislukking werden er uiteindelijk meer dan 45 kilometer aan loopgraven aangelegd. Petersburg was een cruciaal bevoorradingspunt voor het Zuidelijke leger van generaal Robert E. Lee en de Zuidelijke hoofdstad Richmond. Er vonden verschillende raids en gevechten plaats om de strategische spoorlijnen af te snijden. Hierdoor moesten de Zuidelijken hun loopgraven verder uitbreiden. Dit resulteerde in een overbelasting van hun toch al verzwakte leger.

In april 1865 liet Lee de verdediging van Petersburg en Richmond voor wat het was en trok zich leger terug. Dit resulteerde in de Appomattoxveldtocht en de uiteindelijke nederlaag van het Zuidelijke leger na de Slag bij Appomattox Courthouse. Het beleg van Petersburg was een voorbode van de loopgravenoorlog van de Eerste Wereldoorlog.

Achtergrond thumb|President Abraham Lincoln In maart 1864 werd Ulysses S. Grant gepromoveerd tot luitenant-generaal. Hij kreeg hierbij het opperbevel over de Noordelijke legers. Hij ontwikkelde een strategie waarbij alle veldtochten gecoördineerd werden door Grant zelf. Hierbij werd de druk op de Zuidelijke tegenstander vanuit verschillende richtingen tegelijkertijd opgevoerd. Dit was een strategie die enthousiast ondersteund werd door president Abraham Lincoln. Grant benoemde generaal-majoor William T. Sherman tot bevelhebber van de Noordelijke legers aan het westelijk front. Grant verplaatste zijn hoofdkwartier naar het Army of the Potomac aan het oostelijk front in Virginia. Daar wou hij het Zuidelijke leger van Robert E. Lee tot een beslissende slag dwingen om zo een einde te maken aan de oorlog. Zijn tweede doel was de inname van de vijandelijke hoofdstad Richmond. Grant was vrijwel zeker dat, als Lee verslagen werd, dat Richmond dan automatisch zou vallen. Grants plan bestond uit een gecoördineerde aanval van het Army of the Potomac vanuit het noorden, terwijl generaal-majoor Benjamin Butler naar Richmond zou oprukken vanuit zuidoostelijke richting. Ondertussen diende generaal-majoor Franz Sigel de Shenandoahvallei onder controle te krijgen. Aan het westelijke front viel Sherman Georgia binnen om enerzijds generaal Joseph E. Johnston te verslaan en anderzijds Atlanta in te nemen. De generaals George Crook en William W. Averell moesten de spoorwegen in West Virginia aanvallen, terwijl generaal-majoor Nathaniel P. Banks Mobile, Alabama zou innemen.Welsh, p. 96; Eicher, p. 661, 691-92; Davis, p. 18; Salmon, p. 251; Fuller, p. 207-208.

De meeste opdrachten mislukten. Dit was meestal het gevolg van het feit dat de aangeduide generaals meer uit politieke dan uit puur militaire overwegingen de opdracht toegewezen kregen. Butlers Army of the James werd met succes tegengehouden door de numeriek zwakkere troepen van generaal P.G.T. Beauregard tijdens de Bermuda Hundred-veldtocht. Sigel werd overtuigend verslagen in de Slag bij New Market in mei en werd onmiddellijk vervangen door generaal-majoor David Hunter. Banks had zijn handen vol met de Red Riverveldtocht en kon niet oprukken naar Mobile. Crook en Averell slaagden er wel in om de spoorweg tussen Virginia en Tennessee te vernietigen. Ook de opmars van Sherman was een succes, hoewel het tot in de herfst duurde voor hij Atlanta bereikte.Eicher, p. 680-82, 691-93; Davis, p. 18; Hattaway and Jones, p. 517-26; Fuller, p. 207-208, 229-30.

Op 4 mei stak Grant en Meades leger de Rapidan over en betraden ze het gebied dat bekendstond als de Wilderness in Spotsylvania County. Dit was het startschot van de zes weken durende Overlandveldtocht. In de bloedige maar tactische onbesliste slagen van de Wildernis en Spotsylvania Court House slaagde Grant er niet in om Lees leger beslissend te verslaan. In tegenstelling tot zijn voorgangers trok hij zich echter niet terug om zijn wonden te likken, maar zette hij door. Hij dirigeerde het Army of the Potomac telkens opnieuw in zuidoostelijk richting om het Zuidelijke leger te flankeren. Dit plaatste Lee in het defensief. Grant spendeerde de rest van de maand mei met het manoeuvreren van zijn leger terwijl ze kleinere veldslagen uitvochten om Lees leger in een open veldslag te lokken. Grant wist dat zijn numeriek sterker leger en de voortdurende versterkingen uit het Noorden een uitputtingsoorlog aankonden, toch in ieder geval beter dan het Zuidelijke leger onder Lee. Deze theorie werd uitgetest in de Slag bij Cold Harbor (31 mei tot 12 juni) waar beide legers opnieuw tegenover elkaar stonden in de omgeving van Mechanicsville, Virginia. Grant opteerde voor een frontale aanval op de Zuidelijke versterkte stellingen op 3 juni. De aanval werd afgeslagen met zware verliezen. Hierdoor kreeg Grant de bijnaam “de slachter” die hem werd gegeven door de Noordelijke kranten. Hoewel de Noordelijken zware verliezen leden tijdens de veldtocht, ongeveer 50.000 soldaten of 41% van het totaal, had Lee procentueel gezien nog zwaardere verliezen geleden. De Zuidelijken hadden 32.000 soldaten verloren ofwel 46% van het effectief. Dit waren verliezen die de Zuidelijken onmogelijk konden vervangen.Welsh, p. 96, 101; Eicher, p. 663-87; Hattaway and Jones, p. 540-46, 552-67, 577-80; Salmon, p. 251-58; Bonekemper, p. 190.

thumb|De Pontonbrug over de Jamesrivier Tijdens de nacht van 12 juni voerde Grant opnieuw zijn flankeerbeweging uit. Hij liet zijn leger oprukken naar de Jamesrivier. Zijn plan was om de oversteek te maken waarbij hij Richmond links liet liggen en Petersburg als doel had. Deze stad was een belangrijk spoorwegknooppunt en van strategisch belang voor de bevoorrading van zowel Richmond als het leger van Lee. Lee vermoedde niets van Grants intenties. Ondertussen bouwde het Noordelijke leger een pontonbrug van 640 meter lang over de James, waarlangs het Noordelijke leger tussen 14 juni en 18 juni de rivier overstak. Het enige dat Lee het meest vreesde, was dat Grant hem in een verdediging van Richmond zelf zou dwingen. Dit stond nu te gebeuren. Petersburg, een stad met 18.000 inwoners, was een belangrijk knooppunt voor de bevoorrading van de Zuidelijke hoofdstad. De stad lag ten zuiden van Richmond, lag langs de Appomattoxrivier en was een spoorwegknooppunt van vijf spoorwegen. Indien de Noordelijken deze stad konden innemen, kon Lee onmogelijk de Zuidelijke hoofdstad verdedigen. De originele strategie van de Overlandveldtocht waarbij het verslaan van Lees leger het hoofddoel was, werd nu aangepast. Grant koos nu een strategisch-politieke locatie om Lees leger vast te pinnen en uit te hongeren. Lee dacht initieel dat Grants hoofddoel Richmond was en stuurde slechts een minderheid van de Zuidelijke troepen onder leiding van P.G.T. Beauregard om Petersburg te verdedigen.Welsh, p. 102, 118; Davis, p. 34-36; Eicher, p. 687; Hattaway and Jones, p. 588-91; Salmon, p. 395-96.

Samenstelling van de legers Grants strijdmacht was veel groter dan die van Lee tijdens de veldtocht: bij het begin van de gevechten stonden 15.000 Noordelijken tegenover 5.400 Zuidelijken. Tegen 18 juni telden de Noordelijken 67.000 soldaten die tegenover 20.000 Zuidelijken stonden. Rond 15 juli namen 70.000 Noordelijke soldaten het op tegen 36.000 Zuidelijken bij Petersburg en 40.000 Noordelijken tegenover 21.000 Zuidelijken bij Richmond.Davis, p. 18, 49, 64. Ondanks de zware verliezen kon het Noordelijke leger zijn rangen snel aanvullen met garnizoenstroepen van Washington D.C. en Afro-Amerikaanse eenheden. Tegen het einde van het beleg had Grant 125.000 manschappen tot zijn beschikking.Eicher, p. 806. Het Zuidelijke leger daarentegen had de grootste moeite om de verliezen te compenseren. Door het tekort aan soldaten stonden tijdens de loopgravenoorlog twee soldaten soms op vijf meter afstand van elkaar.Welsh, p. 118.

Noordelijken Noordelijke bevelhebbers Bij het begin van de veldtocht bestond Grants strijdmacht uit het Army of the Potomac, onder leiding van generaal-majoor George G. Meade, en het Army of the James, onder leiding van generaal-majoor Benjamin Butler.

Het Army of the Potomac bestond uit:

II Corps onder leiding van generaal-majoor Winfield S. Hancock, bestaande uit de divisies van generaal-majoors David B. Birney en John Gibbon en brigadegeneraal Francis C. Barlow. V Corps onder leiding van generaal-majoor Gouverneur K. Warren bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals Charles Griffin, Romeyn B. Ayres, Samuel W. Crawford en Lysander Cutler. VI Corps onder leiding van generaal-majoor Horatio G. Wright bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals David A. Russell, Thomas H. Neill en James B. Ricketts. (Het VI Corps had tussen midden juli en begin december een opdracht in de Shenandoah-vallei.) IX Corps onder leiding van generaal-majoor Ambrose Burnside bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals James H. Ledlie, Robert B. Potter, Orlando B. Willcox en Edward Ferrero (deze divisies bestonden vrijwel uitsluitend uit Afro-Amerikaanse soldaten). Generaal-majoor John G. Parke verving Burnside na de Slag van de Krater. Cavalry Corps onder aanvoering van generaal-majoor Philip H. Sheridan bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals Alfred T.A. Torbert, David McM. Gregg en James H. Wilson. Sheridan en het merendeel van zijn divisie hadden tussen juli 1864 en maart 1865 opdrachten in de Shenandoahvallei.

Het Army of the James bestond uit: X Corps onder leiding van brigadegeneraal Alfred H. Terry bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals Robert S. Foster en Adelbert Ames. XVIII Corps onder leiding van generaal-majoor William F. "Baldy" Smith bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals William T. H. Brooks, John H. Martindale en Edward W. Hinks XXIV Corps onder leiding van generaal-majoor Edward O.C. Ord bestaande uit de divisies van brigadegeneraal Robert S. Foster, generaal-majoor Thomas M. Harris, en brigadegeneraal Charles Devens. XXV Corps onder leiding van generaal-majoor Godfrey Weitzel bestaande uit de divisies van de brigadegeneraals Charles J. Paine, William Birney en Edward A. Wild. Cavalry Division onder leiding van brigadegeneraal August Kautz.

Op 3 december 1864 werden het X Corps en XVIII Corps, die raciaal gemengd waren, gereorganiseerd in een exclusief blank korps (XXIV Corps) en een exclusief Afro-Amerikaans korps (XXV Corps) uitgezonderd de officieren.

Zuidelijken Zuidelijke bevelhebbers Lees Zuidelijke strijdkrachten bestond uit zijn eigen Army of Northern Virginia aangevuld met 10.000 soldaten onder leiding van P.G.T. Beauregard, die instond voor de verdediging van Richmond. Veel van de soldaten onder leiding van Beauregard waren ofwel te jong ofwel te oud om dienst te doen in Lees leger. Ook waren er verschillende soldaten die afgekeurd waren na opgelopen verwondingen om terug in actieve velddienst ingezet te worden. Het Army of Northern Virginia was initieel ingedeeld in vier korpsen: First Corps onder leiding van luitenant-generaal Richard H. Anderson bestaande uit de divisies van de generaal-majoors George E. Pickett, Charles W. Field en Joseph B. Kershaw. Luitenant-generaal James Longstreet kwam terug uit ziekteverlof en hernam het commando van het korps op 19 oktober. Hierop kreeg Anderson het bevel van het nieuwe Fourth Corps bestaande uit de divisie van generaal-majoor Bushrod R. Johnson.