thumb|Juan Prim y Prats thumb|right|Juan Prim, portret geschilderd in 1870. thumb|Juan Prim y Prats, graaf van Reus Juan Prim y Prats, Marqués de los Castillejos, Conde de Reus of in het Catalaans Joan Prim i Prats, Marquès dels Castillejos, Comte de Reus (Reus, 12 december 1814 – Madrid, 30 december 1870) was een Spaans edelman, politicus en generaal.

Levensloop Herkomst en carrière tot 1840 Zijn vader Pablo was kolonel-luitenant in het Spaanse leger die na zijn militaire loopbaan notaris werd, het beroep dat Prims grootvader ook uitoefende in de stad Reus.

In 1834 sloot Juan Prim zich na zijn schoolopleiding aan bij het vrijwilligersleger dat ging meevechten in de Eerste Carlistenoorlog. Dit vrijwilligersleger vocht namens regentes Maria Christina, de weduwe van koning Ferdinand VII die regeerde in naam van haar toen nog minderjarige dochter Isabella II.

In de volgende zeven oorlogsjaren vocht hij dapper mee met de militaire acties die vaak een zege opleverden voor de anticarlistische troepen, hoewel zijn paard onder hem vaak doodgeschoten werd en hij meermaals gewond raakte. Tijdens deze oorlog werd hij na een aantal zegerijke acties bevorderd tot kapitein. Na de inname van Sant Miquel de Taradella ontving hij eveneens het Kruis van de Heilige Ferdinand Eerste Klasse en later werd hij bevorderd tot kolonel. In 1840 was hij voor zijn aanhangers een symbool van moed en militair succes.

Regering van Baldomero Espartero (1840-1843) Na de liberale putsch van La Granja in 1840, waarbij regentes Maria Christina afgezet werd, werden de spanningen tussen de gematigden en de progressisten onder leiding van José María Calatrava en Juan Álvarez Mendizábal groter. De progressisten stelden generaal Baldomero Espartero aan tot de nieuwe regent van Spanje. Toen Prim in 1841 verkozen werd tot afgevaardigde in de Cortes Generales, sloot hij zich aan bij de progressisten.

Rond die tijd liep Prim ook het risico dat zijn militaire rangen niet erkend zouden worden omdat hij deze behaald had als lid van een vrijwilligerseenheid die na de Eerste Carlistenoorlog ontbonden was. In tegenstelling tot vele van zijn medestrijders werd Prim echter wel als kolonel in het officiële leger opgenomen. Door Espartero werd Prim eveneens aangesteld tot onderinspecteur van de karabijnen in Andalusië. In deze functie kon Prim verhinderen dat conservatieve troepen onder bevel van Ramón María Narváez y Campos, die de vroegere regentes Maria Christina in haar macht wilden herstellen, via Gibraltar Spanje konden binnendringen.

Toch verzuurde de relatie met Espartero. Prim beschuldigde hem ervan dat hij door zijn vrijhandelspolitiek, met name door de aan de Britse textiel verleende importvrijheden, schade berokkende aan de Catalaanse textielindustrie. Espartero zou op die manier Catalonië meer ondergeschikt willen maken aan de centrale regering. In 1843 brak er in Barcelona een opstand uit tegen de handelspolitiek van Espartero, die de economische situatie had doen verslechteren. De opstand werd onderdrukt. Prim ondersteunde aanvankelijk de onderdrukking, maar keerde zich tegen Espartero toen deze de stad vanaf de berg Montjuïc wou bombarderen.

Al snel ontstonden in Madrid politieke intriges. In 1843 waren er militaire opstanden, gericht tegen de regering van Espartero, in Málaga, Granada en Almería. In Reus kwamen Prim en Lorenzo Milans del Bosch eveneens in verzet. Barcelona en Catalonië volgden. In Barcelona werd de opstand onderdrukt door generaal Martín Zurbano. Vervolgens was Zurbano van plan om de opstanden in Tarragona en in Reus te onderdrukken. Toen Prim naar Barcelona wilde gaan, leidde dat tot protesten in Reus omdat de inwoners vreesden dat ze zonder de verdediging van Prim weerloos tegen generaal Zurbano zouden zijn. Prims plan was om Zurbano in Barcelona tegen te houden om daarna, desnoods via een bloederige inval, Reus in te nemen.

In Barcelona ontmoette Prim in het geheim een vertegenwoordiger van de conservatieve generaals Leopoldo O'Donnell en Ramón Narváez, die toen in ballingschap leefden in Parijs. Prim verbood beide generaals om via Barcelona op te trekken naar Madrid, omdat hij als eerste in die stad wilde zijn. Uiteindelijk trokken O'Donnell en Narváez via Valencia naar Madrid. Vervolgens brachten de drie gezamenlijk, zonder al te grote weerstand, regent Espartero ten val, waardoor die naar het Verenigd Koninkrijk moest vluchten. Narváez nam daarop de regering over. Kort nadien werd de 13-jarige koningin Isabella II volwassenen verklaard, waardoor er geen regent of regentes meer nodig was. Met Narváez begon er een lange periode waarbij de gematigden aan de macht waren.

De gematigde periode (1843-1854) Door minister van Oorlog Francisco Serrano y Domínguez werd Prim benoemd tot gouverneur en commandant-generaal van Barcelona en kreeg hij de bevoegdheid om er een opstand van radicale revolutionairen te bekampen. Nadat hij de opstand succesvol neersloeg en de vrede in Barcelona terugkeerde, werd Prim in de erfelijke adelstand verheven als graaf van Reus en burggraaf van El Bruch. Vervolgens keerde hij terug naar Madrid en werd hij door de regering benoemd tot de militaire commandant van Ceuta. Dit weigerde hij echter, trok zich terug uit de militaire dienst en verliet Spanje tijdelijk. Bij zijn terugkeer eind oktober 1844 werd hij ervan beschuldigd samengezworen te hebben tegen Narváez en dat hij een moordaanslag op hem gepland zou hebben. Hij werd ondanks een gebrek aan bewijs aangeklaagd en veroordeeld tot een celstraf van zes jaar, maar kreeg in 1845 genade en in 1847 amnestie. Vervolgens vertrok Prim naar het buitenland.

In 1847 werd Prim door minister van Oorlog Fernando Fernández de Córdova, een persoonlijke vriend van Prim, benoemd tot kapitein-generaal op het eiland Puerto Rico. Door zijn harde politiek was hij er echter niet erg geliefd, hij liet onder andere een guerrillastrijder doodschieten nadat die zijn voorwaarden na zijn eerste gevangenschap schond door het paard van Prim te stelen. Ook sloeg hij opstanden op de eilanden Saint Croix, toen een Spaanse kolonie en Saint Thomas, in die tijd een Deense kolonie, neer. Voor deze laatste actie werd hij toegelaten tot de Orde van de Dannebrog. In 1848 werd hij ontslagen als kapitein-generaal.

Vervolgens stelde Prim zich kandidaat voor de Cortes Generales en werd verkozen. Als vertegenwoordiger van de progressisten gold hij voor de gematigde regering als een van de vervelendste oppositieleiders in het Congres van Afgevaardigden. Om te vermijden dat Prim zich bij de verkiezingen van 1851 zich zou laten herkiezen, wilde de regering hem in 1851 opnieuw het kapitein-generaalschap van Puerto Rico aanbieden. Hij aanvaardde het en trok zijn kandidatuur bij de verkiezingen in. Al gauw bleek dat de regering Prim bedrogen had en na de afloop van de verkiezingen werd hij ontslagen als kapitein-generaal van Puerto Rico, waardoor hij nu geen ambt of functie meer had. Een progressistisch Kamerlid bood echter zijn parlementszetel aan Juan Prim aan die hij dan ook aanvaardde. Na zijn onderdrukking van de opstand in Barcelona bijna tien jaar eerder, was hij echter niet zo geliefd meer bij de Spaanse bevolking. Hij won echter aan populariteit door in het parlement voor de burgerlijke vrijheden te ijveren en de belangen van Catalonië te verdedigen.

In 1852 ontbond de regering van Juan Bravo Murillo de Cortes en regeerde vanaf dan per decreet. Om een eventuele putsch te voorkomen werd Prim voor de zekerheid naar Frankrijk uitgewezen. De regering van Bravo Murillo werd echter algauw ontslagen door de koningin, maar toch durfde Prim pas terug te keren naar Spanje vijf dagen voor de nieuwe verkiezingen en om zich bij die verkiezingen kandidaat te stellen. Hij slaagde erin om verkozen te worden en nam zijn rol als oppositieleider weer op. Na de ontbinding van het parlement in 1853 keerde hij echter terug naar Frankrijk totdat hij eind 1853, bij het begin van de Krimoorlog, benoemd werd tot de Spaanse militaire commissaris in Turkije. Hij nam er deel aan militaire operaties van het Donauleger tegen Rusland en was onder andere strategisch raadgever van de artillerie bij verschillende offensieven. De Turkse sultan liet hem toe tot de Orde van Mejidie. In 1854 verliet Prim de gevechten in de Krimoorlog nadat de gematigden in Spanje de macht verloren en keerde terug naar zijn vaderland.

In Marokko en Mexico (1854-1862) Intussen hadden in Spanje de progressisten Leopoldo O'Donnell en Baldomero Espartero afgesproken om samen de macht te delen. Geen van beiden was echter bereid om de hulp van Prim te gebruiken toen die op 8 november 1854 opnieuw verkozen werd in de Cortes. In die periode begon hij zich te wenden tot de belangen van de democratie-georiënteerde krachten van republikeinen en socialisten, waardoor hij langzaam begon te vervreemden van de ideeën van de Progressistische Partij, waarvan hij nog steeds lid was. In het parlement oefende hij nog weinig invloed uit en na een tijd trok hij zich terug. Vervolgens werd hij kapitein-generaal van de provincie Granada en kreeg de belangrijke opdracht om de stad Melilla uit de handen te houden van Berberse troepen. Hij haalde eveneens bij een veldslag een belangrijke zege tegen de Berberse troepen. Als beloning hiervoor werd hij in 1856 bevorderd tot luitenant-generaal en tot generaal van de infanterie. Toen echter het regeringsgeweld van Espartero en O'Donnell toenam, nam hij in 1856 ontslag als kapitein-generaal. Kort nadien nam de gematigde Narváez de macht weer over.

Prim begon de politiek van de regering-Narváez te bekritiseren en werd vervolgens zogezegd wegens een gebrek aan militaire eer in de gevangenis opgesloten. Zijn militair proces werd echter zodanig lang uitgerekt om te vermijden dat Prim na de volgende verkiezingen opnieuw in het parlement zou kunnen zetelen. Kort voor die verkiezingen werd hij veroordeeld tot een celstraf van zes maanden, die hij in Alicante moest uitzitten. Zijn straf werd echter al snel omgezet in verbanning. Ondanks zijn onmogelijkheid tot zetelen werd Prim toch verkozen in de Cortes. Prim vestigde zich in het Franse Vichy.

De regering Narváez kwam echter in 1857 ten val en in 1858 werd O'Donnell opnieuw premier. Daarna keerde Prim terug naar Spanje en trad toe tot de Liberale Unie, die O'Donnell pas had opgericht. Kort nadien verliet hij de Progressistische Partij.

In 1858 brak in de vroegere Spaanse kolonie Mexico de Hervormingsoorlog uit en nadat er in Mexico ook Spanjaarden vermoord werden, was er in Spanje discussie of ze Mexico de oorlog zouden verklaren. Prim was tegen een oorlogsverklaring. Hij werd er nu van beschuldigd dat hij een aanhanger van Mexico was, omdat hij getrouwd was bij een Mexicaanse die verwant was met een minister in de liberale regering van Benito Juárez.

Premier O'Donnell begon ook aandacht te krijgen voor de toestand van Marokko, die van plan was om de Spaanse enclave Ceuta aan te vallen. Ook heerste er een binnenlandse crisis in het land. Hoewel Marokko bereid was om compromissen met Spanje te sluiten, verklaarde O'Donnell in 1859 toch de oorlog aan Marokko. Prim werd de commandant van een reservedivisie die opgesteld werd in Antequera, waarna hij samen met zijn eenheid en Catalaanse vrijwilligers naar Ceuta trok. Hij vocht mee met verschillende succesvolle veldslagen en kon er zich onderscheiden. Toen op 26 april 1860 de vrede getekend werd tussen Spanje en Marokko, keerde hij terug naar zijn vaderland. In Catalonië werden ererecepties voor hem voorbereid en van de koningin kreeg hij de titel "Markies van Los Castillejos". Vervolgens werd Prim de directeur van het Spaanse ingenieurscorps.