De krappa of krapa (Carapa guianensis; onder andere ook andiroba of crabwood genoemd) is een boomsoort uit de familie Meliaceae (Mahoniefamilie). De boom komt voor in het Amazonegebied, in Centraal-Amerika en in de Caraïben. Het is een hoge boom met een dicht bladerdek, die meestal langs de rand van rivieren in het tropisch regenwoud groeit. Het hout lijkt op mahoniehout en wordt toegepast in kwaliteitsmeubelen. Uit de zaden wordt een plantaardige olie, krappa-olie gewonnen die medicinale eigenschappen heeft. Krappa-olie wordt in combinatie met anatto toegevoegd om Goudse kaas haar goudgele kleur te geven. Ook wordt de krappa-olie gebruikt als afweermiddel tegen insecten.
Naamgeving Botanische naam De botanische naam Carapa guianensis werd in 1775 gepubliceerd door de Franse botanicus Jean Baptiste Christian Fusée Aublet.Fusée Aublet, J.B.C. (1775) Histoire des Plantes de la Guiane Françoise 2(Suppl.): 32, tabel 387 De typelocatie van de soort ligt op een niet gespecificeerde plek in Frans-Guyana.Forget, P., Carapa guianensis Aubl. Carapa.org, Parijs: Muséum National d'Histoire Naturelle De geslachtsnaam Carapa is een latinisering van het woord 'krappa' dat uit het Karaïbs komt. De soortaanduiding guianensis verwijst naar het gebied Guyana.
miniatuur|links|Tekening van Aublet, 1775
De botanische naam kent de volgende synoniemen:Carapa guinanensis POWO, Plants Of the World Online, Kew Gardens Amapa guianensis (Aubl.) Steud. (1821) Granatum guianense (Aubl.) Kuntze (1891) Xylocarpus carapa Spreng. (1825, nom. superfl.; gebaseerd op hetzelfde type) Xylocarpus guineensis (Aubl.) M.Roem. (1846, nom. superfl.; gebaseerd op hetzelfde type) Persoonia guareoides Willd. (1799) Carapa latifolia Willd. ex C.DC. (1878; pro syn.) Guarea mucronulata C.DC. (1917) Carapa macrocarpa Ducke (1922)
Triviale namen Omdat de boom een groot verspreidingsgebied kent, zijn er veel lokale namen. De naam 'krappa' vindt zijn oorsprong in Suriname. Het komt uit het Karaïbs en is afgeleid van ka, dat 'olie' betekent. De Engelse naam crabwood is ook afkomstig van 'krappa' en heeft niets met een krab te maken. De olie wordt in Nederland en Vlaanderen ook onder de Braziliaanse naam andiroba-olie verkocht. De naam andiroba is afkomstig uit het Nheengatu en betekent 'bittere olie' (nhandi='olie', rob='bitter').Morais, L.; Gutjahr, E. (2009) Chemistry of Vegetable Oils: Valorization of Amazonian Biodiversity. Brasilia: Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit
Onderstaande uitklapbare lijst geeft een overzicht van de lokale namen die in verschillende landen gebruikt worden:Richter, H.G., Dallwitz, M.J. (2000) Carapa Guianensis Commercial timbers: descriptions, illustrations, identification, and information retrieval, Universiteit HamburgFournier, L.A. (2002) "Carapa guianensis" in: Vozzo, J.A. (ed.) Tropical Tree Seed Manual Part II: Species Descriptions, Washington: US Department of Agriculture, p. 360–391Carapa guianensis Aubl. Turrialba, Costa Rica: Alianza de Servicios de Información AgropecuariaAndiroba Hardwood (Carapa guianensis) Managua, Nicaragua: Maderas Sostenibles S.A.Carapa guianensis Aubl. Piracicaba, Brazilië: Instituto de Pesquisas e Estudos Florestais Grandtner, M., Carapa Guianensis Aubl. World Dictionary of Trees, Wood and Forest Sciences Department, Faculty of Forestry, Geography and Geomatics, Quebec, Canada: Université Laval
Voorkomen Habitat De krappa komt vooral voor in de boomlaag of als tweede boomlaag in het tropisch regenwoud van Zuid-Amerika. Soms is het de dominante soort, en maken de krappa's meer dan 20% van de volwassen bomen in een gebied uit.Hall, P.; Orrell, L.C.; Bawa, K.S. (1994) "Genetic diversity and mating system in a tropical tree, Carapa guianensis (Meliaceae)" American Journal of Botany 81(9), 1104–1111 De krappa gedijt met name op voedselrijke bodems.Taylor, L., Andiroba (Carapa guianensis), Raintree Tropical Plant Database, Carson City: Raintree Nutrition, Inc. De boom groeit vooral op laaggelegen grond, bij de rivieren die regelmatig overstromen, aan de rand van moerassen en in moerassig bos. De boom komt in het algemeen voor tot een hoogte van 700 meter, maar op sommige plaatsen in Venezuela, Ecuador en Guadaloupe wordt hij boven de 1000 meter aangetroffen.
De krappa gedijt in gebieden met een temperatuur van 20 tot 35 °C, en met een regenval van 1500 tot 3200 mm/jaar. Experimenten in Indonesië hebben aangetoond dat de krappa meer dan 3 maanden in overstroomd gebied kan blijven staan zonder te sterven aan zuurstofgebrek. De boom verdraagt schaduw redelijk goed, maar groeit sneller in het volle zonlicht.Carapa guianensis AgroForestryTree Database, Nairobi, Kenia: World Agroforestry Centre
thumb|Verspreidingsgebied van de krappa
Verspreiding De krappa is inheems in het Amazonegebied, in Centraal-Amerika en in de Caraïben. Meer bepaald komen er inheemse populaties voor in de volgende landen en territoria: Belize Brazilië Colombia Costa Rica Cuba Dominicaanse Republiek Ecuador Frans-Guyana Guadeloupe Guyana Haïti Honduras Panama Peru Puerto Rico Suriname Trinidad en Tobago Venezuela
In Centraal-Amerika komt de boom met name aan de Atlantische kust voor, in Costa Rica ook aan de Pacifische kust. In Brazilië groeit de krappa vooral in de deelstaten Amazonas en Pará, met name in de buurt van de grote rivieren Solimões en Tocantins. In dit land begint de boom in de buurt van steden zeldzaam te worden, omdat hij veel gekapt wordt vanwege het hout.
Buiten Latijns-Amerika is de krappa een exoot in de volgende landen: Indonesië Maleisië Singapore Sommige bronnen geven aan dat de krappa ook in West-Afrika voorkomt, maar in de meeste gevallen gaat het dan om Carapa procera, een andere soort binnen het geslacht Carapa.
Morfologie De volwassen boom is meestal 30 tot 40 meter hoog, maar kan een hoogte van 60 meter bereiken. De krappa is bladverliezend tot semi-groenblijvend. De kroon van de krappa is onregelmatig gevormd en zeer wijdvertakt. Het bladerdek is erg dicht.
thumb|upright=0.75|Stam van de krappa
Stam, takken en wortels De stam is recht en cilindrisch. Hij is meestal tot een meter dik, maar kan in sommige gevallen een diameter op borsthoogte tot 2 meter bereiken. Vaak zijn er plankwortels aanwezig met een lengte tot 2,5 meter. De onderste helft tot twee derde van de stam (20–30 meter) is takkenloos.
De bast is dik en grijsbruin tot donkerbruin, soms ook roodachtig. Vaak zijn er lichtgrijze streepachtige vlekken aanwezig. De bast is aan de oppervlakte gegroefd en breekt gemakkelijk af, in vierkante schubben of in horizontale repen. De binnenste bast is vezelachtig, en rood of roze-bruin.
De takken zijn dik en bruin, en groeien in een stijgende lijn met veel bochten. Jonge stengels zijn bedekt met opvallende lenticellen. De hoofdwortel is lang, sterk en bruin van kleur. De secundaire wortels zijn dun en wijdvertakt. Zij hebben een lichtere bruine kleur.Ferraz, I.; Camargo, J.L.; Sampaio, P. (2002) "Sementes e plântulas de andiroba (Carapa guianensis Aubl. e Carapa procera DC): aspectos botânicos, ecológicos e tecnológicos" Acta Amazonica 32(4), 647–661. Gearchiveerd op 16 juli 2022.
thumb|left|Bladeren van de krappa
Bladeren De krappa is herkenbaar aan de grote bladeren. De bladeren zijn alternerend om de takken geplaatst in de vorm van een helix. De bladstengel is 10–25 cm lang en heeft een diameter van 3 tot 7 mm. De bladspil is glad en heeft een lengte van 12–45 cm. Bij de overgang van de stengel naar de bladspil bevinden zich meestal twee nectarklieren.
De bladeren zijn evengeveerd: aan elke stengel staan 3 tot 10 paren deelbladeren, tegenoverstaand geplaatst. Tegen het eind van de stengel staan de deelbladeren dicht bij elkaar. Aan het eind van de stengel zit een slapende bladklier, waar soms een extra deelblad uit groeit (het blad is dan onevengeveerd). De deelbladeren hebben geen steunblaadjes. De bladstelen waarmee de deelbladeren aan de stengel bevestigd zijn, zijn gemiddeld 8 mm lang.Tree Factsheet Carapa Guianensis Aubl. Forest Ecology and Forest Management Group, Wageningen University. Gearchiveerd op 2 september 2018.
De deelbladeren zijn lancetvormig of ovaal en hebben een gave bladrand. De bladvoet is schuin, asymmetrisch en breed. De bladtop is meestal spits toelopend, in zeldzame gevallen afgerond. Het bladoppervlak is leerachtig van structuur aan de bovenkant en glad aan de onderkant. Aan de onderkant van het blad kunnen zich rondom de hoofdnerf enkele eenvoudige haren bevinden. De kleur van het blad is helder groen bij de nerf en flauwer groen bij de bladrand. Jonge bladeren zijn felgroen, oudere bladeren krijgen een meer roodachtige kleur. De hoofdnerf is opvallend zichtbaar aan de onderkant. Er zijn 7–17 paar secundaire nerven. De tertiaire nerven zijn dicht verspreid en plat.
De deelbladeren zijn groter bij de top (apex) dan bij de basis van de stengel: Onderdeel Breedte Lengte Blad 26,5 cm 80 cm Deelblad aan de basis van de stengel 4–13,5 cm 13,4–28 cm Deelblad bij de top van de stengel 8–13,8 cm 23,2–33,6 cm
Bloesem De bloesems zijn okselstandig of subterminaal geplaatst onder priemvormige takjes. Ze vormen een rechtopstaande, wijdvertakte thyrsus die 20 tot 80 cm lang kan worden. De bloemen zijn zittend geplaatst of hebben slechts een zeer korte pedicellus. Deze is glad of heeft lenticellen.
De bloemen zijn klein en urnvormig. De kleur is wit of crème, met een lichtroze buitenkant. Ze hebben een licht muskusachtige geur. De krappa is eenhuizig: de bloesems zijn eenslachtig, maar met goed ontwikkelde rudimenten van het tegenovergestelde geslacht. De bloemen zijn meestal viertallig of vijftallig, maximaal zeventallig.
De kelk is gelobd tot bijna aan de basis. De kroonbladeren zijn licht gedraaid. Ze hebben een klier aan de top. De stamper heeft een rond of vierkant vruchtbeginsel, in vrouwelijke bloemen is dit gekarteld. De meeldraden hebben rudimentaire zaadknoppen.
In de onderstaande tabel zijn de afmetingen van de verschillende onderdelen van de bloesem weergegeven. Onderdeel Grootte Lengte pedunculus 5–12 cm Lengte onderste zijassen <18 cm Lengte pedicellus 0,2–1 mm Lengte kelkblad 0,7–1,3 mm Kroonblad 3,5–5,5 × 2,5–4 mm Lengte helmdraad 2–3,4 mm Helmknop 0,5–0,8 × 0,4–0,7 mm Antherodium 0,4–0,5 × 0,3–0,5 mm Vruchtbeginsel in vrouwelijke bloem 1,2–2,5 × 1–2 mm Vruchtbeginsel in mannelijke bloem (rudimentair) 0,5–1,6 × 0,5–1,5 mm Lengte stijl in mannelijke bloem 0,7–1,7 mm Lengte stijl in vrouwelijke bloem (rudimentair) 0,2–0,8 mm Doorsnede stempel 1–1,5 mm
thumb|Vrucht met zaden
Vrucht De krappa heeft een hangende vrucht die een beetje op een kastanje lijkt. De steel waarmee de vrucht aan de stengel bevestigd is, is 2 cm lang. De vrucht is 7 tot 16 cm groot. Hij is houtachtig en heeft de vorm van een prolate sferoïde. Het is een vierdelige splitvrucht. Door het midden van elke dopvrucht loopt een ribachtige structuur. Er zijn geen wratachtige uitsteeksels en slechts weinig nectarklieren. Elk van de vier dopvruchten bevat twee tot vier zaden.
Zaad De zaden zijn 3–4 centimeter groot, en wegen normalerwijze tussen de 9 en 30 gram. Soms kunnen ze echter een gewicht van meer dan 100 gram bereiken. Ze zijn lichtbruin of roodbruin gekleurd, en hebben een hard, houtachtig zaadomhulsel. Op het moment dat de zaden vallen hebben ze een groenbruine tint. Ze zijn hoekig met gladde oppervlakken, waarvan één oppervlak de kromming van de vrucht volgt, en de andere vlak zijn. Deze vorm wordt veroorzaakt door de druk die de zaden op elkaar uitoefenen in de vrucht.
De navel heeft een grootte van 1,5–3,3 × 0,3–1,7 mm. De zaadlobben zijn met elkaar vergroeid. De embryonale as is heel klein en bevindt zich binnen de zaadlob, dicht bij de kiemopening.
Een grote boom kan 700 tot 4000 zaden bevatten, dit komt neer op 22–200 kg per boom. Een hectare aangeplante krappa kan 5–10 ton zaad per jaar leveren.
Levenscyclus thumb|upright=0.75|Kiemplant
Bestuiving