thumb|Zendelingen op Sumba in 1926, van l.n.r.: ds. L.P. Krijger, ds. C.de Bruijn, ds. W. van Dijk, ds. J.P. Lambooy, T. Mobach en ds. J.F. Colenbrander.

Zending op Sumba beschrijft de verspreiding vanaf de negentiende eeuw van het christelijke geloof en de daarbij horende cultuur onder de bewoners van het eiland Sumba in het voormalig Nederlands-Indië. De introductie van westerse gezondheidszorg, onderwijs en landbouwmethoden was daarbij een belangrijk middel. Van oorsprong zijn de Sumbanezen aanhangers van de marapu-religie. Nederlandse kerkgemeenschappen en kerkgenootschappen vaardigden zendelingen en missionarissen naar het eiland af om er een christelijk alternatief te verspreiden.

Religie op Sumba De oorspronkelijke religie van Sumba is het geloof in een Marapu. Het wordt gerekend tot de animistische religies. Christenen op Sumba gebruiken marapu-elementen bij hun rituelen. Natuurgodsdiensten, zoals marapu, worden in de jaren 2020 in Indonesië in zekere mate erkend. Eerder was dit niet het geval, wat problemen voor de aanhangers ervan met zich mee kon brengen.Artikel in de Jakarta Post over het marapugeloof.

Religies van West-Sumba 2000 - 2002 Religie Islam Protestant Katholiek Hindoe Boeddhist Anders (meestal Merapu) Totale bevolking Aantal (2000) 8.161 154.425 90.986 327 5 96.802 350.706 Aantal (2002) 11.224 197.888 105.385 327 5 69.157 Percentage v.d. bevolking (2000) 2 44 26 0 0 28 100 Percentage v.d. bevolking (2002) 3 52 27 0 0 18 100 Bron: Sumba Barat in Figures 2000 and 2002, badan Pusat Statistik, Kabupaten Sumba Barat, Province NTT.

De toename van de protestants-christelijke religie wordt onder meer veroorzaakt door de inzet van de het grootste kerkgenootschap, Gereja Kristen Sumba, bij rampen en maatschappelijke ontwikkeling. Bij de groeiende bevolking zijn ook de evangeliserende kerken populair. Zij leggen een grotere nadruk op rituelen en enthousiasme en verstrekken gratis rijst en kleding aan mensen die dat nodig hebben.

Zending Christenen in de zendingstijd werkten en leefden vanuit de opdracht om medemensen en God te dienen. Daarnaast voelden zij de opdracht om het verhaal van Jezus Christus, het evangelie, bekend te maken in andere delen van de wereld. In de 19e en 20e eeuw was er zendingsarbeid op Sumba. In 1861 zond de Nederlands Gereformeerde Zendingsvereniging (NGZV) haar eerste zendingsarbeiders uit naar Midden-Java. Ondanks voortdurend geldgebrek koos de zending, op voorspraak van haar lid I. Esser, oud-resident van Timor, Sumba als tweede zendingsterrein. Esser wees op de gewelddadige conflicten, rooftochten, kannibalisme en zeeroverij die op het eiland veelvuldig aan de orde waren.

Organisatie Het zendingsterrein op Sumba werd een belangrijk gebied voor de Gereformeerde Kerken in Nederland. De Gereformeerde Kerk is sinds de Generale Synode van 1896 van mening dat de zending betaald en ondersteund moet worden door lokale kerkgemeenschappen en niet door landelijke organisaties. Zo was Oost-Sumba (tot 1939) het zendingsterrein van de kerk van Appingedam, Midden-Sumba van de kerk van Hoogeveen en West-Sumba van de kerk van Groningen en (sinds 1921) van Nijverdal. Deze plaatselijke kerken kregen meestal steun van hun classis, de kerkelijke regio waar zij toe behoorden. Sinds de synode van 1896 werden de "zendelingen" "missionaire dienaren des Woords" genoemd, om duidelijk te maken dat zij in waardigheid en ambt geheel met de predikanten in het vaderland gelijk stonden.

Rol van gezondheidszorg, onderwijs en taal thumb|500px|center|Schetskaart (1925) van de bestuurlijke indeling met scholen en zendingsposten. Waingapu: standplaats van de Assistent-Resident en van de Controleur. Waikabubak: standplaats van de Civiel gezaghebber. Zendingsposten in Kabaniru, Payeti, Karuni en Melolo. Zendingsarts in Waikabubak.

Gezondheidszorg thumb|Ziekenhuis te Payeti anno 2007. Via de gezondheidszorg kwam de zending meer en meer in contact met de bevolking en wist ze op den duur het vertrouwen van de bevolking te winnen. In het begin was men behulpzaam bij bevallingen. Er werd bijvoorbeeld een hutje gebouwd waar de vrouwen naartoe kwamen om onder betere omstandigheden te kunnen bevallen. Langzamerhand werd de gezondheidszorg verder uitgebreid.

Wat begon als een kleine polikliniek in Payeti groeide uit tot een klein ziekenhuis. In 1918 waren er gemiddeld 42 patiënten opgenomen, in 1924 al 82. De polikliniek behandelde in dat laatste jaar 15.683 patiënten. Ook in Oost- en West-Sumba waren poliklinieken in de omgeving van de zendelingen-standplaats. Zo behandelde het ziekenhuis "Lende Moripa" in Waikabubak in 1955 gemiddeld 202 patiënten per dag en waren er gemiddeld 158 patiënten per dag opgenomen.

Onderwijs thumb|Schoolopziener F. van Dijk inspecteert een kampongschool Het geven van onderwijs (in het Maleis) was een belangrijke ingang voor de zending om met de bevolking in contact te komen. In 1913 werd de Soemba-regeling van kracht (Staatsblad 1913 No. 309). Daarbij werd het onderwijs op Sumba opgedragen aan de zending. In de loop der jaren werd dit de zending weer meer en meer ontnomen en deed het openbare onderwijs zijn intrede. Ook was er onderwijs dat georganiseerd was door de Roomse kerk. De Gereformeerde zending had rond 1927 12 schoolposten op Oost-Sumba, 16 op Midden-Sumba en 22 op West-Sumba.

Volksschool Er was een basisschool van drie jaren. De zending beijverde zich voor een vierde leerjaar, maar dit werd niet toegestaan. Het onderwijs was gericht op lezen en schrijven in het Maleis dat ook de voertaal was. Door de inspanningen van Dr. Onvlee werd later ook Sumbanees op school als voertaal gebruikelijk. Het Sumbanese leesboek deed zijn intrede. Het volksonderwijs groeide. In 1924 waren er 50 scholen met in totaal 2800 leerlingen. In 1933 waren dit resp. 70 scholen en 5200 leerlingen.

Standaardschool In 1914 werd er in Payeti en in 1920 in Karuni een zgn. standaardschool gesticht. Het was eigenlijk een kopschool op de volksschooltjes die er al waren. Ze was bestemd om uitgebreider onderwijs te geven aan kinderen met een goede aanleg, waarvan men verwachtte dat zij later in dienst zouden kunnen treden van de zending of het bestuur. De leerlingen waren intern in een door een Europese zendingsmedewerker beheerd internaat.

Internaat In het begin namen de zendelingengezinnen vaak zonen van belangrijke dorpsoudsten op in hun gezin. Later werden er voor zowel jongens als meisjes internaten opgericht. Zo leidde mevrouw Gretha Zigterman, voorheen verpleegster op Java vanaf 1920 het meisjesinternaat in Tenggoö. De meisjes werden onderwezen in lezen en schrijven en allerlei praktische vaardigheden als kleding maken en weven. Verder richtte de opvoeding zich op hun toekomstige taak als huisvrouw en moeder. Ze leerden over hygiëne, koken en wassen.

Taal Om belangstelling te wekken voor een nieuwe, geheel cultuurvreemde ideologie is het belangrijk dat dit in de volkstaal gebeurt. Op Sumba worden zeer verschillende talen en dialecten gesproken. Deze talen behoren tot de Bima-Sumbatalen.

L. Onvlee In 1914 werd Lou Onvlee door het Nederlands Bijbelgenootschap benoemd om als Bijbelvertaler naar Sumba te gaan. Onvlee was toen nog student in de theologie aan de VU. In 1915 deed hij zijn kandidaatsexamen en ging Oosterse Talen studeren aan de Universiteit Leiden. In 1925 promoveerde hij op een proefschrift over het Sumbanees. In 1926 kwam hij aan op Sumba en vestigde zich in Waikabubak.

thumb Taalgebieden van Sumba: 1 Laura, 2 Mamboru, 3 Kodisch, 4 Wanukaka, 5 Lambojaas, 6 Wadjewaas, 7 Anakalangu, 8 Kamberaas, 9 Savunees

Na grondig onderzoek kwam Onvlee tot de conclusie dat de oorspronkelijke bewoners van Sumba globaal ingedeeld kunnen worden in twee taalgroepen: het Kamberaas (8) voor Midden- en Oost-Sumba en het Wajewaas (6) voor West-Sumba. Het Wajewaas is enigszins verwant aan het: Laura (1), Mamboru (2), Wanukaka (4), Lambojaas (5) en het Anakalangu (7). De bewoners van Kodi (3) in het uiterste westen waren bij geen van beide taalgroepen onder te brengen evenals de Savunezen (9). Voor deze beide groepen zou Maleis voor de zending de aangewezen taal blijven. Al deze talen behoren tot de Bima-Sumbatalen.

Onvlee begon met het schrijven van schoolboekjes en een Bijbels leesboek. In 1937 begon hij met de vertaling van het Evangelie volgens Lucas. Het Sumbanees kende geen woorden voor essentiële zaken uit het evangelie als: zonde en schuld, liefde en genade, vergeving en verzoening. Hiermee wordt duidelijk hoe ingewikkeld een goede Bijbelvertaling dan wordt. In 1941 werd het eerste bundeltje psalmen en gezangen in het Kamberaas gedrukt in Payeti.

Zendelingen tot ongeveer 1930 M. Teffer De zending op Sumba vanuit Nederland ving aan rond 1872 toen ds. Teffer als zendeling uitgezonden werd door het Nederlandsch Zendeling Genootschap (NZG). Hij werkte op het eiland Savu (Sawu) van 1872 tot 1883. Toen hij er aan kwam waren er al 250 gedoopten, waaronder 3 van de 4 radja's van Savu. Teffer maakte 1877 een bezoekreis naar Sumba omdat zich daar twee christelijke Savunese bevolkingsgroepen gevestigd hadden aan de kust. Teffer plaatste er Ambonese gurus te Melolo en Kambaniru. Door ziekte kon hij pas in 1883 opnieuw een bezoek op Sumba afleggen. De NZG zag per 1 januari 1889 uiteindelijk vanaf er een zendeling te plaatsen en droeg de beide Savunese gemeenten op Sumba over aan de Zending der Christelijk Gereformeerde Kerk.

Johan Jacob van Alphen Geboren 1848/49, overleden op 27 maart 1927, onderwijzersopleiding, 1875/79 zendingsopleiding, Standplaats Melolo op Oost-Sumba van sept. 1881 tot sept. 1883, Waingapu van maart 1886 tot juni 1887 en Kambaniru van maart 1889 tot november 1893.

Op 20 januari 1881 vertrok ds. Van Alphen uit Nederland en kwam, na een reis van bijna acht maanden, op 9 juni 1881 aan op Sumba. Hij vestigde zich in september 1881 in de Savuneze nederzetting Melolo aan de kust op Oost-Sumba.

Verdeling van het zendingsgebied Van Alphen ontmoette Teffer in 1881 en ze spraken af dat Teffer zich zou richten op de Savunezen aan de kust en dat hij zelf zich zou richten op de Sumbanezen. De zending onder de Sumbanezen in het binnenland verliep in het begin maar moeizaam. Van Alphen kreeg geen toestemming van de vorsten om in het binnenland te gaan wonen en het stichten van een schooltje mislukte. Daarna probeerde Van Alphen door het vrijkopen van een aantal slavenkinderen en het onderbrengen van hen in zijn huis om ze zodoende een christelijke opvoeding te geven een nieuwe ingang te verkrijgen. Het effect was echter averechts: hij werd beschuldigd van het bevorderen van de slavenhandel.

In 1883, na het overlijden van zijn vrouw Helena Pfaff enkele weken na de bevalling en het overlijden van de pasgeborene in 1882 vertrok Van Alphen voor enige jaren naar Java. Hij besloot daar over te stappen naar de Christelijk Gereformeerde Zending, omdat zijn oude werkgever door financiële problemen geen vast traktement meer kon garanderen. Op 1 april 1886 keerde hij terug op Sumba en vestigde zich met zijn tweede vrouw voorlopig onder de Savunezen in de havenplaats Kambaniru.

Eind 1893 werd Van Alphen "eervol" ontslagen en vertrok. Hij werd "ongeschikt" geacht voor het ambt. De ware redenen zijn niet openbaar gemaakt. Rond 1886 vestigde ook de missie van de rooms-katholieke Kerk zich in Loeara.

Willem Pos Geboren 1856/57, overleden april 1914, schoenmaker, 1882-1889 zendingsopleiding, Standplaats Melolo van 1890-1904

Op 14 augustus 1890 vestigde ds. Pos zich in Melolo op Sumba om Van Alphen te ondersteunen. Inmiddels had Van Alphen twee scholen opgericht (Kambaniru, 25 leerlingen, Waingapu 13 leerlingen). Ds. Pos had na enige tijd de school in Melolo onder zijn hoede (48 leerlingen). In 1892 telde de christelijke gemeente te Melolo 270 leden. Op 23 december 1895 wordt een nieuw kerkgebouwtje in gebruik genomen.