250px|right Duurswold of de Woldstreek, vroeger ook De Wolden of Zevenwolden, is een landstreek gelegen in het centrale gedeelte van de Nederlandse provincie Groningen.
De dorpen van Duurswold vormden in 1808 de nieuwe gemeente Slochteren. Deze gemeente werd in 1811 opgesplitst in drie gemeenten, namelijk Slochteren, Harkstede en Siddeburen. De laatste twee werden respectievelijk in 1821 en 1826 opnieuw bij Slochteren gevoegd. Bij een grenswijzigingen werden in 1963 tevens delen van Ten Boer en Loppersum aan de gemeente Slochteren toegevoegd, nadat die door de verbreding van het Eemskanaal van de rest van de gemeente waren afgesneden.
De landbouwstatistiek van 1912 behandelde de Woldstreek als een afzonderlijk landbouwgebied. Sinds 1991 wordt de Woldstreek - samen met het Oldambt - gerekend tot de Oostelijke Bouwstreek in Groningen.
Indeling Duurswold valt grotendeels samen met de voormalige gemeente Slochteren. Oorspronkelijk was het een van de drie onderkwartieren van Fivelingo.
De landstreek bestond vanouds uit zeven streek- of lintdorpen en werd daarom de 19e eeuw Zevenwolden genoemd. Dit betreft de kerspelen Harkstede, Scharmer, Kolham, Slochteren, Schildwolde, Hellum en Siddeburen. Froombosch gold niet als een zelfstandig dorp. Bij drie middeleeuwse kerspelen (Klein Harkstede, Oostwold en Heidenschap) was de kerk verloren gegaan. In de buitengebieden ontstonden in de 19e eeuw nieuwe dorpen, namelijk Lageland, Overschild (op de grens met Ten Boer), Steendam, Tjuchem en Woudbloem.
Tot Duurswold behoren verder de buurtschappen en gehuchten Bokhörn, Borgweg (deels), Denemarken, Eelshuis, Foxham, Gaarland, De Hammen, Heidenschap, Klein Harkstede, Langewijk, Leentjer, De Paauwen, Roeksweer, Ruiten, Schaaphok,Siddebuursterveen, Wilderhof. De namen van de buurtschappen Akkereinden, Bovenhuizen, Buitenhuizen, Gaarveen, Hamweg, De Hole, Huisweren, Oosterweeren, Oostwold, Schildhuizen, Uiterburen, Uitham (Den Ham), 't Veen, Veendijk, Weereweg en De Zanden zijn in onbruik geraakt.
Aanvankelijk werd ook het voormalige kerkdorp Heidenschap tot Duurswold gerekend, dat echter na de Reductie bij Garmerwolde werd gevoegd. Niet tot Duurswold behoorden daarentegen de buurtschappen Blokum, Graauwedijk en Luddeweer, die tot het kerspel Woltersum werden gerekend. Ze vielen daardoor onder de gemeente Ten Boer en werden pas in 1963 – samen met Heidenschap – bij Slochteren gevoegd.
Rechtspraak en waterstaat Duurswold bestond in de 17e en 18e eeuw uit meerdere rechtstoelen, die ieder vermoedelijk tot 1803 een eigen rechthuis en een gerichtplaats hadden:
Siddeburen en Oostwold (Siddeburen, het Oude Regthuis) Hellum en half Schildwolde (Hellum) Slochteren, Kolham, Foxham en half Schildwolde (Slochteren, Het Hoogehuis) Scharmer Lutke- en Groot-Harkstede
Deze rechtstoelen behoorden tevens tot verschillende zijlvesten of waterschappen, namelijk het Slochter- en Scharmerzijlvest, het Woldzijlvest en het Oostwolderzijlvest, die in 1871 opgingen in het Waterschap Duurswold.
Rechtspraak en waterstaatsbestuur waren tot in de Franse tijd grotendeels in handen van enkele borgenbezitters, met name de bezitters van de Fraeylemaborg, Klein Martijn, Schattersum en het Huis te Farmsum. Die oefenden tot ver in de 19e eeuw ook andere heerlijke rechten uit, zoals het jacht- en visrecht en het collatierecht. Duurswold was daardoor de landstreek met het meeste feodale relicten in de provincie Groningen.
Landschap De bewoners van Duurswold werden vroeger wel Woldjers genoemd, ter onderscheiding van Kleikers uit de wierdedorpen in het noorden. De bodem was er slechter en de mensen minder welvarend, aldus Nicolaus Westendorp in 1839:Deze landstreek. is in het oog van den bewoner van den kleibodem, vooral des zomers, aangenaam, wegens de geheel andere hoedanigheid van den grond, de ligging, de boschrijkheid, de eiken, de boekweit, den toestand en aard der landerijen, en wat dies. meer zij. Er heerscht bij verscheidenen eene zekere maat van welvaart, op de beste gedeelten namelijk, welke in de boerderijen zigtbaar is. Wij noemen de ingezetenen Woldjers en zij ons Kleikers en Hooglandsters.Hendrikus Kremer en Nicolaus Westendorp, Beknopte aardrijks- en geschiedkundige beschrijving der provincie Groningen, Groningen 1839, p. 395Woldjers goldt op de klei tevens als een scheldwoord, onder andere als Woldjer spitspoepke of spitsgat ('magere koe', of ook wel een 'meisje van 't Wold').Blode vouten, hanschen aan,
Zo kommen doar de Woldjers aan.Het reliëf wordt bepaald door een boogvormige rug van keileem en dekzand, slechts enkele meters boven NAP, De zandrug is een restant van de voorlaatste ijstijd; het hoogste deel hiervan is de keileemrug waarop Siddeburen, Hellum en Schildwolde zijn gelegen. Ook enkele pingoruïnes dateren uit deze periode.
In het oostelijk gedeelte van Duurswold ligt een uitgestrekt meer met de naam Schildmeer, dat enkele eeuwen na de ontginningstijd als een veenplas is ontstaan. De aaneensluitende verkaveling aan beide zijden van het meer dateert uit de tijd van de eerste ontginningen.
Naam Duurswold komt pas in 1406 voor als Duirtswold, daarna in 1428 als Diurdiswolde, 1435 als Dyurdtswolt, 1457 als Dyverdtswolt, 1486 als Duyrdeswolde en 1506 als Duyrs-wolde. De verklaring is onzeker. Taalkundige Wobbe de Vries veronderstelde een wortel met het Oudfriese diar ('dier'), hetgeen naar de wilde dieren in het ontginningsgebied zou verwijzen. Anderen denken aan de persoonsnaam Diurt en de familienaam Diurdisma (1326). Mogelijk is de naam ontleend aan de ontginningsnederzetting Diurardasrip, die omstreeks het jaar 1000 wordt vermeld.
Ook de naam van het Friese dorp Duurswoude (Fries: Duerswâld) werd tot in de negentiende eeuw geregeld gespeld als Duurswold.
Geschiedenis Middeleeuwen De naam Duurswold doet denken aan een bosrijke omgeving, maar in werkelijkheid kenmerkte het landschap zich door uitgestrekte veengebieden met moerasbos (wold), die vanaf de tiende eeuw zijn ontgonnen. De meeste bewoners vestigden zich uiteindelijk op de dekzandrug, die zich door akkerpercelen met houtwallen en eikenhakhout kenmerkte. Het centrale deel van Duurswold bestond daarentegen eeuwenlang uit moerassig hooiland. In het achterland bevonden zich intacte hoogveenpaketten die pas vanaf de zestiende eeuw werden ontgonnen. Het gebied ten zuiden van Siddeburen dat nu ruim een meter beneden de zeespiegel ligt, werd om die reden niet overstroomd door de Dollard. Nog bij de Allerheiligenvloed van 1570 raakte hier een hoogveenbank met een huis op drift.
De eerste bewoners kwamen van verschillende kanten. De oudste nederzettingen waren waarschijnlijk randveenontginningen bij Bouwerschap (Ten Boer), De Paauwen, Tjuchem en Meedhuizen. Grootschalige ontginning had plaats vanaf de oevers van de Slochter Ae en de Kleisloot, waarna de kolonisten langs het Schildmaar dieper landinwaarts trokken. De nederzettingen vormden uiteindelijk twee halve cirkels rond deze riviertjes, gescheiden door de Benningsloot, die de westgrens van de ontginningen rond Slochteren markeerde. De ontginners van Schildwolde, Slochteren, Kolham en Scharmer kwamen kennelijk uit de omgeving van Wittewierum en Ten Post, die van Harkstede uit de omgeving van Woltersum.
Rond Siddeburen kwamen de kolonisten uit het noorden, terwijl ze in Oostwold misschien vanaf de oevers van de Sijpe hun werk begonnen. Hellum kwam kennelijk als laatste aan bod. Dit dorp werd vanuit de omgeving van Garrelsweer ontgonnen, maar later bij het decanaat Farmsum gevoegd. De grens tussen de decanaten Loppersum en Farmsum viel later samen met de grens tussen Schildwolde en Hellum. Door het aftappen van het Schildmeer via het Garreweerstermaar en later De Groeve kon de waterstand in dit gebied drastisch worden verlaagd.
Hoewel de hoofdlijnen van de ontginning zich op oriëntatiepunten als de kerken van Loppersum en Thesinge en de wierde van Marsum oriënteerden, lijkt men de verdeling van het nieuwe land hier toch vooral vanaf de oevers van het Schild te hebben aangevat. De kolonisten vestigden zich vrij snel op de waterscheiding die de onderliggende dekzandruggen markeerde. Het hele gebied was met een metersdik veenpakket bedekt, dat echter geleidelijk verteerde. Vanaf de dertiende eeuw had men te kampen met toenemende wateroverlast. Om dit te beteugelen werden de Graauwedijk en de Borg (langs de Borgwatering en de Borgsloot bij Tjuchem) aangelegd. Door het ontstaan van het Schildmeer werd het gebied van Schildwolde en Hellum in tweeën gesneden. Uiteindelijk werd het gebied ten noorden van het Schildmeer en rond Tjuchem grotendeels verlaten; het diende vooral als hooiland voor de wierdedorpen in het noorden.
De kerk van Slochteren fungeerde als de hoofdplaats van zuidelijk Duurswold; hier werd de seend gehouden. Kolham is een dochternederzetting van Slochteren, terwijl Scharmer zich weer van Kolham lijkt te hebben afgesplitst. Het gebied van Harkstede, Klein-Harkstede, Heidenschap en Lageland vormde een afzonderlijk ontginningsblok, ingeklemd tussen de oudere ontginningen van Garmerwolde en Slochteren. Het water uit dit gebied stroomde via de Kleisloot naar de Fivel bij Woltersum. Later werd dit water - samen de afwatering van de Scharmer Ae - via het Lustigemaar via het Westerwijtwerdermaar een tijdlang naar het westen afgeleid, totdat het Scharmerzijlvest rond 1300 aansluiting vond bij het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen.
De ontginningsactiviteiten werden vermoedelijk geleid door adellijke families met een omvangrijk grootgrondbezit en goede relaties met hogere wereldlijke en kerkelijke instanties. Ieder dorp had vanaf de dertiende eeuw een of meer steenhuizen met een dubbele heerd, waar de hoofdelingenfamilies resideerden, die op een of andere manier van deze ontginners afstamde. De omgeving van Siddeburen had nauwe banden met de heren van Farmsum en oorspronkelijk ook met de abdij van Werden, die hier omvangrijk grootgrondbezit had. In Slochteren resideerden de families Hagginga en later Fraeylema, in Hellum de Menalda's. De ontginning van zuidelijk Duurswold stond mogelijk onder leiding van de voorouders van de Snelgera's van Scharmer, die (delen van) van de dorpen Scharmer, Kolham, Slochteren, Wittewierum en Woltersum in 1266 en 1323 in leen hadden van de graven van Bentheim. Op hun beurt waren dit verre afstammelingen van de graven van Midden-Friesland die hier in de elfde eeuw macht uitoefenden.De taalkundige Jan Naarding veronderstelde dat de Fraeylema's afstamden van de grafelijke vertegenwoordiger of frana; andere onderzoekers hebben daarover hun twijfel uitgesproken. In 1392 droeg de graaf van Bentheim de rechtspraak in deze dorpen op aan Clawes Schulte, een burger van Groningen die tevens hoofdeling te Scharmer en Woltersum was; later vererfden deze machtsposities op de familie Rengers te Scharmer en Ten Post.
De omgeving van Harkstede was eerder georiënteerd op de omgeving van Woltersum en Bouwerschap. De familie Rengers bezat later een of twee steenhuizen en omvangrijke landerijen rond Blokum en Roeksweer, van waaruit ooit de ontsluiting van dit gebied is begonnen. Ook de gronden tussen de Scharmer Ae en de Slochter Ae waren in hun bezit. Andere steenhuizen bevonden zich in Siddeburen (Ewens, Ufkeshuis), Harkstede en Kolham.
Pas in 1435 trad Duurswold voor het eerst als een zelfstandig district op; een document van 1437 vermeldt de hoofdelingen, rechters en meene meente. Het aangrenzende dorp Wagenborgen maakte zich rond 1400 los van Fivelingo en voegde zich bij het Oldambt.
Nieuwe tijd In de zeventiende en achttiende eeuw bleef Duurswold een geïsoleerd en waterrijk gebied van (meest) eenvoudige boeren, die voor het verkeer met Appingedam en Groningen vooral van de scheepvaart afhankelijk waren. Er woonden echter ook rijke boerengeslachten. In de meeste dorpen stonden een of meer buitenplaatsen, onder andere van de families Clant, Ringels, Ripperda, Schatters en Wiarda.